Begrippen Psychologie


Onder constructie

Zoek alfabetisch!
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M

N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

Staat Uw woord niet in deze lijst klik dan hier = Wikipedia

A
Affect

  • Affectieve verwaarlozing
  • Affectlabiliteit
  • Affectvervlakking
  • Afhankelijkheid
    Amnesie
  • Amnesie, anterograde
  • Amnesie, posttraumatische
  • Amnesie, retrograde
  • Amnesie, voorbijgaande globale
  • Amnestisch syndroom
  • Amygdala
    Anaal karakter
    Anale fase
    Angst
  • Angst: Agorafobie
  • Angst: Fobie
  • Angst: Sociale fobie ook wel antropofobie
  • Angsthysterie
  • Angstige- of ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis
  • Angstneurose
  • Angststoornis
  • Angst: Diffuse of gegeneraliseerde angststoornis
  • Angst: Paniekstoornis, ook wel episodische paroxismale angst
  • Angst: Pavor Nocturnus
  • Anhedonie
    Anorexia nervosa
    Antisociale persoonlijkheidsstoornis
    Asociale persoonlijkheidsstoornis
    Associatie
  • Associatiegebieden
  • Attitude
  • Attitudeschaal
  • Attitudeverandering
  • Attributie
  • Attributiefout
  • Atypisch

    B
    Bipolaire stoornis
    Borderline persoonlijkheidsstoornis
    Bulimia nervosa

    C
    Cognitieve Gedragstherapie
    Cyclothyme persoonlijkheidsstoornis

    D
    Depressie
  • Depressieve stoornis
  • Depressie, anaclitische
  • Depressie, postpartum ook wel postnatale depressie
  • Depressie, postschizofrene
  • Depressie, vitale of melancholische
  • Dissociale persoonlijkheidsstoornis
    Dissociatie
  • Dissociatieve amnesie
  • Dissociatieve fugue
  • Dysthymie
  • Dysthyme stoornis

  • E
    Eetstoornissen
  • Anorexia nervosa
  • Bulimia nervosa
  • Pica
  • Geofagie
  • Ego
  • Egocentrisch maatschappijbeeld
  • Egocentrisme
  • EgoÔsme
  • Ego-ideaal
  • Ego-ontwikkeling oftewel Ego-formatie
  • Ego-psychologie
  • Ejaculatie
    Ejaculatie, voortijdige
    Electief mutisme
    Electra-complex
    Emotie
  • Emotieregulatie
  • Emotieregulatie, stoornissen in de
  • Emoties, ABC-model van
  • EmotietheorieŽn
  • Emotioneel gedrag
  • Emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis
  • Emotionele beleving
  • Emotionele beleving, stoornissen in de
  • Emotionele intelligentie
  • Emotionele ontwikkeling
  • Empathie
    Episodische paroxismale angst
    Eufoor of Euforie
    Exhibitionisme

    F
    Fallisch karakter
    Fallisch narcisme
    Fallische fase
    Falsificatie
    Fanatisme
    Fantasie
    Fetisjisme
    fMRI-scan
    Fobie
  • Fobietest
  • Fobie, sociale
  • Functionele analyse
    Fysiologie
    Fysiologische psychologie

    G
    GABA
    GABA-receptoren
    GAF-schaal
    Geboortevolgorde
    Geboortetrauma
    Gedachtegangstoornissen
    Gedrag
  • Gedragsanalyse
  • Gedragsstoornis
  • Gedragsstoornis, gesocialiseerde en niet-gesocialiseerde
  • Gedragstherapie
  • Gedragstherapie, cognitieve
  • Geheugen
    Geheugenmetafoor
    Genitale fase
    Geofagie
    Geslachtsdrift
    Geslachtshormonen
    Geslachtsidentiteit
    Geslachtsidentiteitsstoornis
    Geslachtsrol
    Gespleten persoonlijkheid
    Gestaltpsychologie
    Gestalttherapie
    Gestaltwetten
    Gevoel

    H
    Histrionische persoonlijkheidsstoornis
    Hypnose
  • Hypnose-theorieŽn
  • Hypnose-inductie
  • Hypnose-deductie
  • Hypnotherapie
  • Hypnotica
  • Hypochondrie
    Hypofyse
    Hypokinesie
    Hypomanie
    Hypothalamus
    Hypothese
    Hysterie

    I
    Impotentie
    Impulsiviteit
    Incest
    Individu
    Individualisering
    Individualiteit
    Individuele psychologie
    Individuatie
    Inductie

    J
    Jaloezie
    Jargon
    Jeugdherinneringen
    Jeugdpsychologie
    Jung, Carl Gustav

    K
    Klinisch psycholoog
    Klinische psychologie
    Korte-termijngeheugen

    L
    Lange-termijngeheugen
    Latentieperiode
    Libido
    Libidoverlies
    Libido sexualis

    M
    Manie
    Masochisme
    Misbruik van een middel

    N
    Narcisme
  • Narcisme, fallisch
  • Narcistische libido ook wel object-libido
  • Narcistische persoonlijkheidsstoornis
  • Neobehaviorisme
    Neocortex
    Neologisme
    Nervositeit
    Neuraal netwerk
    Neurale buis
    Neurasthenie
    Neuro
  • Neuroanatomie
  • Neuroblast
  • Neurofeedback
  • Neurohormonen
  • Neuroleptica
  • NeurolinguÔstisch programmeren
  • Neurologie
  • Neuroloog
  • Neuromodulatie
  • Neuromodulatoren
  • Neuromusculaire synaps
  • Neuropeptiden
  • Neuropsychiatrie
  • Neuropsychologie
  • Neurose
  • Neurosecretie
  • Neuroticisme
  • Neuroticisme test
  • Neurotoxicologie
  • Neurotransmitter
  • Neurotrofe stoffen
  • Neuro-endocrien systeem
  • Neuro-endocriene cel
  • Neutralisering
    Nociceptie
    Nociceptor
    Non-verbale leerstoornis
    Non-verbaal
    Non-verbale intelligentie
    Noradrenaline
    Noradrenaline-dopamine-heropnameremmenrs
    Noradrenerg neuron
    Norm

    O
    Obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
    Oedipale fase
    Oedipus-complex
    Oerschreeuwtherapie
    Omkering in het tegendeel
    Oraal karakter
    Orale fase

    P
    Paniekstoornis
    Panpsychisme
    Panseksualisme
    Paradigma
    Paradoxale interventie
    Parafilia
    Paralimbische zone
    ParalinguÔstische communicatie
    Parallelle informatieverwerking
    Parallellisme
    Paramedici
    Paranoia
    ParanoÔde persoonlijkheidsstoornis
    ParanoÔde Schizofrenie
    Paranoid-hallucinatoor syndroom
    Paranormaal
    Parapraxie
    Parapsychologie
    Passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis
    Pathologie
    Pavor Nocturnus
    Pedofilie
    Persoonlijkheid
  • Persoonlijkheidsleer
  • Persoonlijkheidsstoornis
  • PersoonlijkheidstheorieŽn
  • Persoonlijkheidstrekken
  • Persoonlijkheidsverandering
  • Pica
    Psyche
  • Psychiater
  • Psychiatrie
  • Psychiatrische instelling
  • Psychisch gehandicapt
  • Psychisch trauma
  • Psychische energie
  • Psychische stoornis
  • Psychische stoornis, organische en functionele
  • Psychoactieve middelen
  • Psychoanalyse
  • Psychodiagnostiek
  • Psychodrama
  • Psychodynamische therapieŽn
  • Psychofarmaca
  • PsycholinguÔstiek
  • Psychologie
  • Psychologisch krachtveld
  • Psychologisch selectieonderzoek
  • Psychologische functieleer
  • Psychologische test
  • Psycholoog
  • Psycholoog NIP
  • Psychometrie
  • Psychomotorische therapie
  • Psychoneurose
  • Psychoneuro-endrocrinologie
  • Psychonomie
  • Psychopaat/Psychopathie
  • Psychopathische persoonlijkheidsstoornis
  • Psychopathologie
  • Psychose
  • Psychoseksuele ontwikkeling
  • Psychose, organische en niet-organische
  • Psychosociale stadia
  • Psychosomatisch
  • Psychostimulantia
  • Psychosynthese
  • Psychotherapeut
  • Psychotherapie
  • Psychotherapie, provocatieve
  • Psycho-
  • Psycho-educatie

  • Q

    R
    Ratio
    Rationalisatie
    Rationalisme
    Rationaliteit
    Rationeel-emotieve therapie
    Receptor
    REM-slaap
    Representatie

    S
    Sadisme
    Sedativa
    Seizoengebonden depressieve stoornis
    Seks, Sex
  • Sekseverschillen
  • Seksisme
  • Sekstherapie
  • Seksualiteit Belevingsschaal
  • Seksuele ontwikkeling
  • Seksuele stoornis
  • Seksuele symboliek
  • Selectieve aandacht
    Selectieve serotonine-heropnameremmers
    Selectieve serotonine-noradrenaline-heropnameremmers
    Self-fulfilling prophecy
    Schizofrenie
  • Schizoaffectieve stoornis
  • Schizofrene resttoestand
  • Schizofrenie, dopaminehypothese voor
  • Schizofrenie, floride en negatieve symptomen
  • Schizofrenie, hebefrene
  • Schizofrenie, hersenafwijkingen bij
  • Schizofrenie, katatone
  • Schizofrenie, ongedifferentieerde
  • Schizofrenie, paranoÔde
  • Schizofrenie, procesmatige en reactieve
  • SchizoÔde
  • SchizoÔde persoonlijkheidsstoornis
  • Schizophrenia simplex
  • Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
  • Schuldgevoel
    Sociale Fobie
    Sociopathische persoonlijkheidsstoornis
    Somatisatie
  • Somatisatiestoornis
  • Somatische waan
  • Somatoforme stoornis
  • Ongedifferentieerde
  • Conversie
  • Conversiestoornis
  • Pijnstoornis
  • Stoornis in de lichaamsbeleving
  • Somatogeen versus psychogeen
  • Stemming
    Stemmingscongruentie-effect
    Stemmingsstoornis
    Stoornis

    T
    Theatrale persoonlijkheidsstoornis
    Transseksualiteit
    Trauma
  • Posttraumatische stressstoornis

  • Transvestitisme

    U

    V
    Voyeurisme
    Vrees
    Vriendschap en vijandschap
    Vrije associatie

    W
    Waan
    Waanstoornis
    Waarde
    Waardevrijheid
    Waarheid
    Waarneming
    WaarnemingstheorieŽn

    X

    Y

    Z
    ZoŲerastie
    ZoŲfilie
    ZoŲfobie




    Affect
    Een bepaalde emotie of een bepaald gevoel met betrekking tot een specifieke situatie of gebeurtenis. Vaak wordt het woord affect gebruikt voor heftige gemoedsaandoeningen. Het woord affectvervlakking heeft betrekking op een verarming van het gehele gevoelsleven.

    Affectarmoede: zie Affectvervlakking

    Affectieve stoornis: zie Stemmingsstoornis
    Terug naar A-B-C index

    Affectieve verwaarlozing
    Een vorm van kindermishandeling die bestaat uit het- in ernstige en chronische mate - onthouden van (ouderlijke) liefde aan een kind. De affectieve verwaarlozing kan plaatsvinden binnen het gezin of in een tehuis. Het heeft desastreuze gevolgen voor de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind. Het kan onder meer leiden tot een zeer gebrekkige ontwikkeling van het geweten en tot het onvermogen om stabiele relaties aan te gaan.
    Terug naar A-B-C index

    Affectlabiliteit
    Een gebrek aan stabiliteit in de emotionele beleving. De persoon kent sterke stemmingswisselingen. Dit kan een gevolg zijn van een hersenbeschadiging, zoals bij dementie.
    Terug naar A-B-C index

    Affectvervlakking, ook wel affectarmoede
    Emotionele afstomping, het minder intens beleven van vreugde en verdriet. Dit kan een onderdeel zijn van schizofrenie.
    Zie ook: emotionele beleving, stoornissen in de
    Terug naar A-B-C index

    Afhankelijkheid

    1. In de statistiek:
      de samenhang tussen 'variabelen. De verandering in de ene variabele gaat gepaard met veranderingen in de andere. Statistische afhankelijkheid impliceert geen oorzaak-gevolg relatie.

    2. In de kansrekening:
      twee gebeurtenissen zijn afhankelijk van elkaar als de kans op het gelijk optreden van de gebeurtenissen niet gelijk is aan het product van de twee afzonderlijke kansen.

    3. In de 'psychopathologie:
      een 'persoonlijkheidsstoornis. Mensen met deze stoornis weigeren of zijn niet in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven en laten alles bepalen door anderen (afhankelijke of asthene persoonlijkheidsstoornis).

    4. In de sociale psychologie:
      het sterk aangewezen zijn op anderen voor steun, voor het vormen van een mening, e.d.

    5. In de psychofarmacologie:
      afhankelijkheid van 'psychoactieve middelen (verslaving of addictie). Een zeer sterk verlangen naar, of een dwangmatige behoefte aan een bepaald middel (meestal alcohol of drugs). In het dagelijks spraakgebruik wordt van verslaving gesproken. De gebruiker geeft de inname van het middel prioriteit boven andere dingen in zijn leven, die vroeger veel belangrijker voor hem waren. Het gebruik wordt bijvoorbeeld in stand gehouden omdat het middel een prettig gevoel geeft of om andere, meestal onprettige, gevoelens te onderdrukken. Ook kan de gebruiker het slechte gevoel willen ontlopen dat zou ontstaan als het middel niet meer ingenomen wordt, de zogenaamde 'ontwenningsverschijnselení.

    De afhankelijkheid kan fysiologisch of psychologisch van aard zijn.
    Psychologische afhankelijkheid wordt gekenmerkt door een volhardende motivatie het middel in te nemen, terwijl er geen fundamentele lichamelijke reacties optreden die voor de motivatie verantwoordelijk zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval na langdurig gebruik van 'cannabis. Bij fysiologische afhankelijkheid is het lichaam helemaal ingesteld op een dagelijkse portie van het middel. Het staken van het gebruik leidt tot (ernstige) lichamelijke en/of psychische stoornissen. Een droogstaande alcoholverslaafde krijgt bijvoorbeeld sterke trillende vingers en voelt zich een wrak.
    Terug naar A-B-C index

    Amnesie
    Algemene aanduiding voor geheel of gedeeltelijk geheugenverlies voor gebeurtenissen. Dit kan zowel betrekking hebben op het korte-termijngeheugen als op het lange-termijngeheugen. Bij organische amnesie is een aanwijsbaar lichamelijk letsel verantwoordelijk voor het geheugenverlies.
    Er bestaan twee vormen. In de eerste plaats is het mogelijk dat alleen een bepaald tijdvak uit het geheugen verdwijnt. Een dergelijk 'gat' in het geheugen kan bijvoorbeeld ontstaan door een hoofdwond, epilepsie, een te laag suikergehalte in het bloed, alcoholische vergiftiging (een zogenaamde black-out) of na het toedienen van elektroshocks. Een andere mogelijkheid is dat het vermogen om nieuwe informatie op te nemen blijvend is verstoord, zoals bij het amnestisch syndroom of dementie.
    De term amnesie wordt minder gebruikt voor geheugenzwakte door psychische oorzaken, zoals onoplettendheid op het moment dat de informatie werd aangeboden. De term dissociatieve amnesie wordt gebruikt voor geheugenverlies dat zou optreden na schokkende gebeurtenissen, die iemand niet kan verwerken.
    Terug naar A-B-C index

    Amnesie, anterograde
    Een vorm van geheugenverlies (amnesie) waarbij herinneringen ontbreken aan gebeurtenissen, die plaatsvonden na de gebeurtenis (ongeval of ziekte) die de amnesie heeft veroorzaakt. De persoon is na het ongeval enige tijd niet in staat geweest nieuwe informatie op te nemen en er is een 'gat' in zijn geheugen ontstaan. Het is tevens mogelijk dat de geheugenfunctie blijvend is verstoord, zodat de persoon de rest van zijn leven grote problemen kent om nieuwe dingen te leren of zelfs helemaal niet meer in staat is om nieuwe zaken in zijn geheugen te prenten.

    Zie ook: amnesie, retrograde
    Terug naar A-B-C index

    Amnesie, posttraumatische
    (PTA) Een gat in het geheugen dat is ontstaan door hoofdletsel (trauma). De posttraumatische amnesie eindigt op het moment dat het geheugen weer gaat functioneren. Meestal kan de persoon zich het ongeval zelf niet herinneren, omdat ook sprake is van enige retrograde amnesie.
    Terug naar A-B-C index

    Amnesie, retrograde
    Een vorm van geheugenverlies (amnesie) waarbij de herinneringen zijn aangetast aan gebeurtenissen, die plaatsvonden voorafgaand aan de gebeurtenis (ongeval of ziekte) die de amnesie heeft veroorzaakt. Het komt bijvoorbeeld vaak voor dat mensen die een zware hersenschudding oplopen, zich niets kunnen herinneren van de minuten voorafgaand aan het ongeluk.
    Terug naar A-B-C index

    Amnesie, voorbijgaande globale
    Korte episode van geheugenverlies. De patiŽnt neemt in het geheel geen nieuwe informatie meer op in zijn geheugen en maakt daardoor een verloren indruk. Hij kan bijvoorbeeld voortdurend vragen waar hij is, zonder dat het antwoord tot hem doordringt. De stoornis duurt van slechts enkele uren tot ongeveer twee dagen. Daarna wordt alles weer normaal. De voorbijgaande globale amnesie herhaalt zich gewoonlijk niet en is geen voorbode van ernstige ziekten. Zij laat wel een gat in het geheugen na.
    Terug naar A-B-C index

    Amnestisch syndroom
    Ook syndroom of psychose van Korsakov. Een ernstige geheugenstoornis voor het recente en het verdere verleden, die samenhangt met een lichamelijke ziekte of aandoening. Het onmiddellijke geheugen is gespaard en de persoon kan bijvoorbeeld nog wel cijferreeksen nazeggen. Deze geheugen inhoud is echter verdwenen, zodra de betrokkene even is afgeleid. De mogelijkheden om nieuwe informatie in het lange-termijngeheugen onder te brengen is daardoor ernstig verstoord. Het verstandelijke functioneren is nauwelijks veranderd en het bewustzijn is helder. De meest voorkomende vorm is het gevolg van jarenlang buitensporig alcoholgebruik, maar ook hersenbeschadiging door andere oorzaken kan dit effect hebben. Hierbij zijn met name de temporaal kwab en de tussenhersenen betrokken. PatiŽnten met een amnestisch syndroom vullen soms de gaten in hun geheugen op met verzinsels (confabulaties), maar dat is niet altijd het geval.
    Terug naar A-B-C index

    Amygdala
    Ook amygdaloÔd complex. Een amandelvormige structuur in de hersenen, die uit tenminste drie kernen bestaat en die onderdeel uitmaakt van het in emoties gespecialiseerde limbische systeem. De amygdala is in staat voorheen neutrale stimuli te verbinden met emotionele reacties en is betrokken bij het vermijden van negatieve prikkels. Daarnaast zijn er veel verbindingen met het geheugencentrum, de 'hippocampus. De amygdala krijgt ook informatie van alle zintuigen en lijkt huidige ervaringen te evalueren aan de hand van vroegere ervaringen. Ook is de amygdala betrokken bij de totstandkoming van defensieve agressie (verdediging). Na verwijdering van de amygdala reageren mensen en apen niet meer adequaat op sociale signalen. Ook kunnen ze niet meer aanleren wat gevaarlijk is. Apen raken daardoor hun plaats in de sociale rangorde van hun groep kwijt. Elektrische stimulatie van de amygdala kan leiden tot ernstige angst- en woedeaanvallen. Tot slot heeft de amygdala verbindingen met de hypothalamus en is op die manier betrokken bij hormonale reacties en het bewaren van het evenwicht in het lichaam.
    Terug naar A-B-C index

    Anaal karakter
    Binnen de psychoanalyse wordt deze term gebruikt om een volwassene aan te duiden die anaal gefixeerd is. Dit wil zeggen dat de persoon in kwestie geheel of gedeeltelijk in de anale fase is blijven steken. Het anaal karakter kan zich zowel uiten in een grote volgzaamheid gecombineerd met slordigheid als in uitgesproken eigenwijsheid gecombineerd met ordelijkheid.

    Ook anaal-sadistische fase = Anale fase
    Terug naar A-B-C index

    Anale fase
    (Anaal: de anus betreffende) Ook anaal-sadistische fase. Volgens psychoanalytici de tweede fase in de psychoseksuele ontwikkeling. Het kind wordt in deze periode steeds gevoeliger voor de gewaarwordingen die met de uitscheidingsprocessen samenhangen. De anale fase duurt van de leeftijd van ťťn tot drie jaar. In deze periode is het anusslijmvlies een bron van lichamelijke lustbeleving en het kind heeft grote belangstelling voor zijn eigen ontlasting. De meeste kinderen worden in deze fase zindelijk. Als ouders te streng zijn bij de zindelijkheidstraining, kan dit volgens psychoanalytici negatief zijn voor de latere persoonlijkheidsvorming (overmatige zorg voor orde en netheid). Gedurende de anale fase geven kinderen ook steeds duidelijker uiting aan agressieve gevoelens. Aanvankelijk is deze agressie nog ongeremd, maar door de ontwikkeling van de spraak en het denken krijgt het kind meer mogelijkheden ter beschikking om zich te beheersen. Het kind wordt daarbij geholpen door de geboden en verboden uit de omgeving. De verboden van ouders worden beetje bij beetje verinnerlijkt, zodat het superego ontstaat.

    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Angst
    Een pijnlijk gevoel van onbehagen en dreigend gevaar, dat nuttig is omdat het ervoor zorgt dat riskante situaties worden vermeden. Angst gaat gepaard met lichamelijke verschijnselen, zoals een versnelde hartslag, zweten, een verhoogde bloeddruk, een droge mond en het verlangen om weg te rennen of weg te duiken. Angst kan gericht zijn op een object, situatie of activiteit, of kan ongericht zijn (vrij flotterend). Wanneer de angst te sterk is of wanneer er geen reŽle aanleiding voor bestaat, wordt wel gesprokene van een angststoornis.

    In de psychologie wordt het begrip angst gebruikt binnen grofweg vier theoretische kaders:

      1. Fysiologische theorieŽn. Volgens de James-Lange-theorie (ca. 1885) is angst de gewaarwording van een lichamelijke reactie. We worden bang van een beer, omdat we merken dat we ervoor wegrennen. De Cannon-Bard-theorie (1927) stelt dat lichamelijke reactie en angstgevoel tegelijkertijd optreden en dat beide het gevolg zijn van een prikkeling van bepaalde hersendelen. Hier kan dus niet gezegd worden dat we wegrennen omdat we bang zijn. Het rennen en de angst zijn twee kanten van hetzelfde proces.

      2. De theorie van Sigmund Freud. Freud onderscheidt: a) primaire angst: een gevoel van onbehagen dat het gevolg is van een trauma (bijvoorbeeld de geboorte); b) secundaire angst: het gevolg van pogingen om trauma's te vermijden (bijvoorbeeld spreekangst: niet het spreken zelf is angstaanjagend, maar de beoordeling ervan door anderen). Angst speelt een belangrijke rol bij verdringing.

      3. De leertheorie. Hier verwijst de term naar de interne aansporing tot vermijdingsresponse.

      4. Cognitieve theorieŽn. Hierin wordt de nadruk gelegd op de inschatting van de situatie. Die is er namelijk voor verantwoordelijk of de gegeven omstandigheden als gevaarlijk worden beoordeeld of niet. De angst is dus mede een gevolg van een denkproces.

    Terug naar A-B-C index

    Angst: Agorafobie
    (letterlijk: pleinvrees) Angst op een plaats waar ontsnappen moeilijk of gÍnant lijkt in het geval men te maken zou krijgen met een paniekaanval (paniekstoornis). Deze angst treedt niet alleen op pleinen op, maar heeft betrekking op zaken als alleen buitenshuis zijn, reizen met het openbaar vervoer, een brug oversteken, enzovoorts. Deze situaties worden met grote angst doorstaan of de betrokkene blijft aan huis gekluisterd. Mensen die bang zijn zich onder de mensen te begeven vanwege een algemene angst voor mensen, hebben geen agorafobie, maar een sociale fobie. De vrees voor mensenmassaís die niet samenhangt met het optreden van paniekaanvallen wordt beschouwd als een specifieke 'fobie, maar niet als agorafobie.
    Terug naar A-B-C index

    Angst: Fobie
    Een irreŽle, grote angst voor specifieke situaties, objecten, activiteiten of personen die niet als gevaarlijk gelden. Voor de persoon met de fobie is de angst zeer levensecht, en gaat bijvoorbeeld gepaard met hartkloppingen of een wee gevoel. Een fobie kan iemand in zijn doen en laten ernstig beperken, vooral wanneer het moeilijk is om de situatie die de fobie veroorzaakt, te vermijden. Wanneer een fobie onbehandeld blijft, kan zij tientallen jaren blijven bestaan. Een fobie gaat vaak gepaard met een depressie.

    Voorbeelden van specifieke fobieŽn zijn: schoolfobie, agorafobie (het niet de straat op durven vanwege de vrees dat een paniekaanval zal optreden), examenfobie, claustrofobie (engtevrees), zoŲfobie (angst voor dieren), acrofobie (extreme hoogtevrees), slangfobie, sociale fobie (voor de kritische beoordeling van anderen) en nyctofobie of achluofobie (angst voor het donker).

    Fobietest: Met dit soort tests kan een fobie worden opgespoord. Voorbeelden zijn de Vreesvragenlijst FSS-III en de AZU Vreesvragenlijst. Beide tests zijn geschikt voor volwassenen en kunnen individueel of groepsgewijs worden afgenomen.
    Terug naar A-B-C index

    Angst: Sociale fobie ook wel antropofobie
    Een fobie waarbij de angst met name gericht is op het contact met mensen buiten de eigen familiekring. Deze stoornis gaat vaak gepaard met een geringe zelfwaardering en hevige angst voor kritiek of afkeurende blikken. Een sociale fobie kan beperkt zijn tot zeer specifieke situaties, zoals de angst voor het spreken in het openbaar of naar de wc gaan op kantoor, maar kan ook betrekking hebben op vrijwel alle contacten met medemensen.
    Terug naar A-B-C index

    Angsthysterie
    Een aanduiding die Sigmund Freud gebruikte voor vormen van hysterie waarbij angst het meest opvallende kenmerk is.
    Terug naar A-B-C index

    Angstige-persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een voortdurende gespannenheid en angst voor de toekomst. De persoon gaat gebukt onder minderwaardigheidsgevoelens en is erg bang voor kritiek. De angst voor afwijzing is vaak zo groot dat de persoon pas bij iemand betrokken durft te raken als hij er zeker van is dat de ander hem aardig vindt. Sociaal contact wordt vaak gemeden.
    Terug naar A-B-C index

    Angstneurose

    1. Een actuele neurose die volgens Sigmund Freud ontstaat als gevolg van een opeenstapeling van seksuele opwinding, zonder dat de psyche hier iets mee doet. Hierdoor zou de opwinding zich rechtstreeks in de angst uiten.

    2. Een minder gebruikelijke naam voor een angststoornis.

    Terug naar A-B-C index

    Angststoornis
    Een verzamelnaam voor aandoeningen waarbij het optreden van irreŽle, heftige angst het meest opvallende symptoom is. Angststoornissen vormen de meest voorkomende psychiatrische klacht en naar schatting10 tot 30% van de bevolking gaat hieronder gebukt. Voorbeelden zijn de fobische stoornis (fobie), paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis.
    Angststoornissen kunnen in combinatie met andere stoornissen optreden, bijvoorbeeld met depressies, obsessief compulsieve stoornissen en dementie. Medicijnen die angst en onrust onderdrukken worden anxiolytica genoemd.
    Terug naar A-B-C index

    Angst: Diffuse of gegeneraliseerde angststoornis
    Een angststoornis waarbij sprake is van een algemene blijvende angstigheid. De persoon wordt voortdurend geplaagd door angstige voorgevoelens, kan zich niet ontspannen, is in een blijvende staat van paraatheid en heeft daarbij lichamelijke verschijnselen, zoals een versnelde hartslag of ademhaling.
    Terug naar A-B-C index

    Angst: Paniekstoornis, ook wel episodische paroxismale angst
    Een aandoening die gepaard gaat met terugkerende, hevige paniekaanvallen die meestal slechts enkele minuten aanhouden, hoewel ze ook langer kunnen duren. De angst treedt niet op als reactie op een bepaalde situatie en de angstaanvallen zijn daardoor onvoorspelbaar. Tijdens de angstaanval komen klachten als hartkloppingen, kortademigheid, misselijkheid, pijn op de borst, flauwte en hevige transpiratie voor. Daarbij komt vaak de angst om dood te gaan of het verstand te verliezen. Tussen de angstaanvallen door verdwijnt de angst, hoewel de persoon wel bevreesd kan zijn voor het opnieuw optreden van een angstaanval. Het gebeurt dan ook vaak dat de persoon niet meer de straat op durft en niet alleen wil zijn.
    Zie ook: agorafobie
    Terug naar A-B-C index

    Anhedonie
    Het onvermogem ergens plezier aan te beleven. Dit is het belangrijkste kenmerk van een depressie.
    Terug naar A-B-C index

    Anorexia nervosa
    Een eetstoornis die beschreven kan worden als 'het meedogenloos streven naar magerteí. De ziekte treft vooral meisjes in de puberteit en adolescentie, maar kan ook bij volwassen vrouwen en bij jongens en mannen voorkomen. Het lichaamsgewicht wordt door voedselweigering, laxering en sporten doelbewust naar beneden gebracht vanwege een extreme angst dik te worden en ligt ten minste een kwart onder normaal. Toch kan het idee blijven leven dat het eigen lichaam afzichtelijk dik of vormeloos is. De voedselweigering leidt tot ondervoeding, die ernstige lichamelijke ontregelingen tot gevolg kan hebben. De lichaamstemperatuur is verlaagd, evenals de hormoonspiegels in het bloed. Vaak treedt ook de menstruatie niet meer op (amenorroe). De ondervoeding kan zelfs leiden tot de dood. Er kunnen vele oorzaken van anorexia nervosa genoemd worden, onder andere de angst voor het seksueel volwassen worden, het in het westen sterk aanwezige slankheidideaal, een geringe zelfstandigheid en de afwijkende hormoonspiegels die zijn ontstaan door het lijnen.
    Terug naar A-B-C index

    Associatie
    Algemeen geformuleerd: het verbinden van twee of meer elementen. De term wordt veel gebruikt op licht verschillende wijze.

    1. In de neurologie: de wijze waarop zenuwcellen in verbinding met elkaar staan. Er wordt ook gesproken van de associatie van verschillende hersengebieden.

    2. Bij het geheugen gaat het om de verbinding tussen verschillende geheugeninhouden. De sterkte van die verbinding wordt associatiesterkte genoemd.

    3. In het empirisme: als basis van het leerproces. Wanneer twee sensaties regelmatig tezamen voorkomen, zal het individu beide met elkaar associŽren (associationisme).

    4. In het behaviorisme: de manier waarop stimulus en respons met elkaar worden verbonden (conditioneren).

    5. In de psychoanalyse: de gewaarwording die wordt opgeroepen door een interne of externe stimulus.

    6. In de statistiek: de functionele relatie tussen twee of meerdere variabelen (correlatie).

    associatiecentra: zie associatiegebieden
    Terug naar A-B-C index

    Associatiegebieden
    Ook associatiecentra. Gedeelten van de 'hersenschors die niet tot de motorische en sensorische projectiegebieden behoren. Zij zijn betrokken bij een meer verfijnde verwerking van zintuiglijke informatie of het plannen van meer complexe bewegingen. De associatiecentra zijn ook betrokken bij vermogens als herkenning, herinnering, beweging en geheugen; prikkels van verschillende zintuigen worden met elkaar en met eerdere ervaringen in verband gebracht.

    Er worden drie verschillende associatiegebieden onderscheiden.
    De pariŽtaal-temporaal-occipitaal associatieschors ligt op de grens van de drie gelijknamige 'hersenkwabben. Zij is betrokken bij de hogere waarnemingsfuncties, die te maken hebben met lichamelijke gewaarwordingen, horen, zien en taal.
    De prefrontale associatieschors ligt aan de voorzijde van de voorhoofdskwab en is onder meer betrokken bij het maken van willekeurige bewegingen, denken en de persoonlijkheid.
    De limbische associatieschors tenslotte ligt lager in de centrale groeve die de grote hersenen in tweeŽn deelt, en heeft vooral van doen met emoties, motivatie en het geheugen. Dit deel wordt onderverdeeld in de limbische en para-limbische zone.
    Terug naar A-B-C index

    Attitude
    Geesteshouding of instelling. Het begrip verwijst naar iemands neiging om een bepaald object (haarkleur, gastarbeiders, een persoon, werksituatie, e.d.) op een bepaalde manier te beoordelen. Deze neiging kan cognitief zijn (een bepaald idee over iets of iemand), affectief (een bepaalde positieve/negatieve waardering ten aanzien van iets of iemand), of conatief (een bepaalde wens tot handelen). Het begrip wordt zowel binnen de sociale psychologie als de persoonlijkheidspsychologie gehanteerd.
    Terug naar A-B-C index

    Attitudeschaal
    Met deze test kan iemands attitude bepaald worden. Vaak bestaat de test uit een reeks uitspraken op sociaal, maatschappelijk en politiek terrein. De proefpersoon moet hierbij aangeven in hoeverre hij het met de bewering eens is.
    Terug naar A-B-C index

    Attitudeverandering
    De verandering van attitude. Dit is een belangrijk studieveld binnen de psychologie vanwege de vele praktische toepassingen. Wat zorgt er bijvoorbeeld voor dat mensen condooms gaan gebruiken, zodat zij het AIDS-risico sterk verminderen? Het al dan niet veranderen van een attitude hangt bijvoorbeeld af van de betrouwbaarheid van de bron die een nieuwe houding aanbeveelt. Van belang is ook of de gepropageerde opvattingen dicht bij de eigen ideeŽn liggen. Wanneer dit zo is, is de kans op attitudeverandering groter.
    Terug naar A-B-C index

    Attributie
    (letterlijk: toeschrijving) De toegekende, onderliggende oorzaken van het eigen gedrag of dat van anderen. Bijvoorbeeld: wanneer iemand zijn trouwdag vergeet, kan dat toegeschreven worden aan een gebrek aan liefde of aan verstrooidheid. Deze uiteenlopende attributies zorgen voor totaal verschillende reacties op in principe hetzelfde gedrag.
    Terug naar A-B-C index

    Attributiefout
    Een stereotiepe fout die ontstaat bij het toekennen van onderliggende oorzaken aan het eigen gedrag of dat van anderen. Eigen falen wordt bijvoorbeeld nog wel eens geweten aan ongunstige externe omstandigheden, terwijl falen van anderen veroorzaakt zou worden door een gebrek aan talent. Deze attributiefout wordt ook andersom gemaakt, waarbij het eigen falen aan eigen domheid wordt geweten, terwijl anderen gewoon pech hebben gehad.
    Terug naar A-B-C index

    Atypisch
    Een algemene aanduiding voor zieltebeelden die niet het gebruikelijke patroon volgen. Zo wordt van atypisch autisme gesproken als de afwijkingen pas na het derde levensjaar duidelijk worden of als sommige kenmerkende gedragingen ontbreken.
    Terug naar A-B-C index

    Bipolaire stoornis I en II
    Ook wel manische depressie genoemd. Een tweezijdige stemmingsstoornis waarbij afwisselend episoden met een overdreven opgewekte (hypomanie of manie) en een sterk te neergeslagen (depressie) stemming voorkomen. Tussen deze episoden door functioneert de persoon normaal. De episoden beginnen vaak abrupt en hangen dikwijls samen met emotionele spanningen. Naarmate de persoon ouder wordt, komen vaker episoden met een depressieve stemming voor, die dan ook langer gaan duren. De bipolaire I stoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van tenminste ťťn manische episode en terugkerende depressies. Bij de bipolaire stoornis II is nog nooit sprake geweest van een manische episode, maar wel van tenminste een hypomane episode.
    Terug naar A-B-C index

    Borderline persoonlijkheidsstoornis
    Ook Schizotypische persoonlijkheidsstoornis of latente schizofrenie genoemd. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door vreemd gedrag en waarbij het denken en de gevoelswereld overeenkomsten vertonen met die van schizofrenie. Er wordt echter nooit voldaan aan alle eisen die noodzakelijk zijn voor de diagnose schizofrenie. De stoornis is meestal blijvend, hoewel schommelingen in de mate van ernst voorkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Bulimia nervosa
    Ook boulimie en boelemie. Een eetstoornis waarbij herhaaldelijk in korte tijd op een onbeheerste manier zeer veel voedsel wordt verzwolgen, dat vervolgens weer uitgebraakt wordt of dat met behulp van laxeermiddelen uit het lichaam wordt verwijderd. Dit gedrag levert voor de persoon vaak schuldgevoelens op en treedt meestal op als reactie op onlustgevoelens. De persoon is overdreven bezorgd over het eigen lichaamsgewicht en lijnt vaak tussen de vreetbuien door. Personen met bulimia nervosa hebben vaak in een eerder stadium geleden aan anorexia nervosa.
    Terug naar A-B-C index

    Cognitieve Gedragstherapie
    Een variant van de gedragstherapie, waarbij de therapeut zich niet alleen richt op het veranderen van gedrag, maar ook op de denkwereld erachter. Bij de behandeling van depressies richt men zich bijvoorbeeld op het uitdagen en ombuigen van negatieve denkpatronen. Een sterke kant van de cognitieve gedragstherapie is dat veel onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van de Behandeling. Het bestrijden van depressies en angststoornissen blijkt behoorlijk effectief.
    Terug naar A-B-C index

    Cyclothyme persoonlijkheidsstoornis ook wel cyclothyme stoornis
    Een gedurende minimaal twee jaar aanhoudende stemmingsstoornis met regelmatige stemmingsschommelingen, die vrij licht zijn en die niet veroorzaakt worden door levensomstandigheden. De stoornis voldoet niet aan de criteria voor een bipolaire affectieve stoornis, omdat de terneergeslagen perioden niet voldoen aan de kenmerken van een depressieve stoornis en de enthousiaste perioden niet voldoen aan de kenmerken van Hypomanie. De stoornis veroorzaakt beperkingen in het functioneren en lijden, maar blijft vaak onbehandeld, omdat de betreffende personen geen medische hulp zoeken. Als de emotionele instabiliteit een vaste karaktertrek is, wordt gesproken van een cyclothyme persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Depressie
    Een psychische aandoening waarbij een sterke neerslachtigheid het meest in het oog lopende kenmerk is.
    In het dagelijks leven wordt van een verdrietig of chagrijnig persoon snel gezegd dat hij depressief is,maar als stoornis is depressie een veel ingrijpender gebeurtenis. Symptomen waarmee depressies gepaard kunnen gaan, zijn:

    • het onvermogen van leuke gebeurtenissen te genieten,

    • een gebrek aan waardering voor het eigen ik,

    • schuldgevoelens,

    • de aandrang zichzelf van het leven te beroven,

    • pessimisme,

    • slaapstoornissen en een algehele lamlendigheid, zodat zelfs lichte activiteiten de persoon kunnen uitputten.


    Depressies gaan in de regel vanzelf over, maar de terugval is een groot probleem.

    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen lichte, matige en ernstige depressieve episoden. Bij een licht depressieve episode voldoet de persoon net aan de criteria voor een depressieve stoornis, bij een matige is het iets meer en bij een ernstige wordt de betrokkene geplaagd door (bijna) alle hierboven genoemde symptomen. Een ernstig depressieve episode kan gepaard gaan met psychotische symptomen, waarbij de persoon bijvoorbeeld in de waan kan verkeren dat hij in de hel is terechtgekomen. Ook kunnen niet bestaande beschuldigende stemmen gehoord en afschuwelijke stank geroken worden.

    TheorieŽn over het ontstaan van depressies.
    Er bestaan globaal vier groepen opvattingen over de oorzaken van depressies:

    1. De biologische verklaringen zien depressies als een gevolg van een lichamelijke verstoring van het functioneren van de hersenen. De naar voren gebrachte hypothesen hebben betrekking op vermeende stoornissen in het hormonale systeem, te lage niveaus van bepaalde neurotransmitters of een verstoorde prikkelbaarheid van zenuwcellen.

    2. Een specifieke theorie ziet depressies als een reactie op stress. In eerste instantie probeert de persoon aan de toegenomen eisen te voldoen, maar als dat niet lukt treedt er een soort beveiligingsmechanisme in werking waarmee de hersenactiviteit wordt teruggeschroefd. De persoon is passief, ervaart weinig en voelt zich rot.

    3. De genetische verklaring gaat ervan uit dat de depressies ontstaan bij personen die hier een specifieke, erfelijk bepaalde aanleg voor hebben. Zo blijken depressies relatief vaak in bepaalde families voor te komen.

    4. De psychologische verklaringen leggen de nadruk op psychische factoren. Sommigen denken dat de depressieve persoon te weinig prettige dingen heeft meegemaakt, anderen gaan ervan uit dat de persoon geleerd heeft dat hij het eigen lot niet kan beheersen (aangeleerde hulpeloosheid), weer anderen wijzen op de gevolgen van te negatieve denkschema's en nog anderen denken eerder aan tegen zichzelf gerichte agressie.

    Samenvattend kan gezegd worden dat er meer dan genoeg verklaringen naar voren zijn gebracht, maar dat er desondanks weinig duidelijkheid bestaat over het precieze mechanisme dat tot depressies leidt.

    depressieve persoonlijkheidsstoornis: zie dysthyme stoornis
    Terug naar A-B-C index

    Depressieve stoornis
    Deze diagnose wordt gesteld als tenminste vijf van de volgende symptomen gedurende twee weken, het grootste deel van de dag aanwezig zijn. Bovendien moet symptoom 1 of 2 aanwezig zijn.

    1. Te neergeslagen stemming of bij kinderen ook wel een prikkelbare stemming,

    2. vermindering van belangstelling en plezier,

    3. duidelijk gewichtsverlies zonder dieet, of juist duidelijke gewichtstoename,

    4. veelvuldige slaperigheid of slapeloosheid,

    5. prikkelbaarheid of motorische vertraging,

    6. verlies van energie,

    7. gevoelens van waardeloosheid en schuldgevoelens,
    8. verminderd denkvermogen, besluiteloosheid en concentratieproblemen

    9. terugkerende gedachten aan de dood.

    Als de depressieve episode voor het eerst optreedt, spreekt men van een eenmalige episode, bij herhaling van een recidiverende depressieve stoornis.

    Depressieve stoornis, seizoengebonden
    Een depressieve stoornis, die op vaste tijdstippen in het jaar de kop opsteekt. Een voorbeeld is de winterdepressie.
    Terug naar A-B-C index

    Depressie, anaclitische
    Een ernstige vorm van depressie in de tweede helft van het eerste levensjaar, die kan ontstaan wanneer de moeder plotseling wegvalt en wanneer geen (geschikte) plaatsvervanger beschikbaar is. De anaclitische depressie wordt gekenmerkt door totale afwering van contact, weigering van voedsel, lichamelijke stoornissen en vatbaarheid voor infectieziekten.
    Terug naar A-B-C index

    Depressie, postpartum ook wel postnatale depressie
    Een depressieve stoornis die optreedt binnen vier weken nadat een vrouw een kind heeft gebaard. De symptomen zijn niet wezenlijk anders, maar mogelijk is vaker sprake van een fluctuerend verloop en stemmingswisselingen. Soms is sprake van waandenkbeelden, die vaak betrekking hebben op de baby (bijvoorbeeld dat die voorbestemd is voor een vreselijk lot). Vaak voelt de moeder zich schuldig, omdat ze eigenlijk gelukkig zou moeten zijn. Dit kan ertoe leiden dat ze niet over haar problemen praat. De depressie kan de relatie met de baby bedreigen.
    Terug naar A-B-C index

    Depressie, postschizofrene
    Een depressie die optreedt in de nasleep van schizofrenie. Er zijn nog wel enkele schizofrene symptomen aanwezig, maar die zijn niet meer zo opvallend. De depressie zou een psychische reactie kunnen zijn op de ziekte. Ook is het mogelijk dat de depressie al ten tijde van de schizofrenie aanwezig was, maar nu zichtbaar is geworden doordat de hallucinaties en wanen minder overheersen. Het medicijngebruik kan eveneens een rol spelen.
    Terug naar A-B-C index

    depressie, vitale of melancholische
    Misschien wel de meest prototypische vorm van een depressieve stoornis. Kenmerkend is de emotionele uitgeblustheid. Het plezier in (bijna) alle activiteiten is weg. Daarnaast is vaak sprake van een afwezigheid van gevoel, in plaats van ernstig verdriet zoals na het overlijden van een geliefd persoon. Het gevoel is anders, verdwenen. Dit is voor de betrokkene vaak nog erger dan groot verdriet. Andere symptomen kunnen zijn: vermagering, gebrek aan eetlust, onterechte schuldgevoelens, motorische vertraging of prikkelbaarheid en vroegtijdig ontwaken. Vaak zijn de klachten 's ochtends het ergst.
    Terug naar A-B-C index

    Dissociale persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, asociale, psychopathische en sociopathische persoonlijkheidsstoornis

    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Dissociatie
    Afhankelijk van het vakgebied wordt dissociatie anders gedefinieerd

    1. Het uit elkaar vallen van het 'ik' in verschillende segmenten. Dit is voor het eerst beschreven door de Franse psychiater Pierre Janet (1859-1947). Janet dacht dat de psyche bij bepaalde stoornissen gesplitst werd in een bewust deel en een onbewust, afgekapseld deel waar de persoon geen weet meer van heeft. De betrokken persoon kan op deze manier zaken die hij niet kan verwerken, uit zijn geheugen 'verliezen'. Hij heeft geen controle meer over zijn eigen herinneringen. De dissociatie kan soms zo ernstig zijn dat er sprake is van een meervoudige persoonlijkheid, hoewel dit laatste in psychiatrische kringen een omstreden concept is. De dissociatie kan ook betrekking hebben op lichamelijke functies, zodat verlammingen, andere bewegingsstoornissen of zintuiglijke ongevoeligheid ontstaan, waarvan geen lichamelijke oorzaak is aan te wijzen.

    2. Het los van elkaar optreden van lichamelijke verschijnselen, die normaal tegelijkertijd voorkomen. Tijdens het dromen bijvoorbeeld laat het EEG (elektro-encefalogram) een patroon zien dat wijst op een hoge activiteit. De lichaamsspieren zijn op dat moment echter vrijwel verlamd. Dit verschijnsel is wel beschreven als een wakkere geest in een slapend lichaam. Het gebruikelijke patroon van activering is hier dus uit elkaar gevallen.

    3. De ontleding van moleculen in kleinere eenheden.

    Terug naar A-B-C index

    Dissociatieve amnesie
    Een geheugenverlies voor een emotioneel bijzonder belastende gebeurtenis. Dit is niet te wijten aan een organische stoornis of gewone vergeetachtigheid. De herinnering is zo pijnlijk dat de persoon haar onbewust uit zijn geheugen heeft weggedrukt. Deze vorm van geheugenverlies is controversieel, omdat uit onderzoek blijkt dat mensen juist erg vaak aan vervelende gebeurtenissen moeten denken.
    Terug naar A-B-C index

    Dissociatieve fugue
    Een toestand waarin iemand alle herinneringen aan zijn eigen levensloop verliest (dissociatieve amnesie) en vlucht uit zijn thuisomgeving. De persoon neemt een nieuwe identiteit aan, blijft zichzelf verzorgen en kan op omstanders een volkomen normale indruk maken. De fugue heeft een psychische oorzaak, maar chronisch alcoholmisbruik kan een rol spelen. Het is vaak een reactie op zeer hoog opgelopen spanningen, bijvoorbeeld in het gezin of op het werk, of een gevolg van dramatische omstandigheden, zoals een overstroming. Het herstel van de fugue vindt gewoonlijk spontaan en binnen enkele dagen plaats.
    Terug naar A-B-C index

    Dysthymie, Dysthyme neurose
    Een door de Britse psycholoog Hans ]. Eyysenck (1916-1997) gebruikte verzamelnaam voor psychische afwijkingen die voortkomen uit ongunstige omstandigheden gecombineerd met emotionele labiliteit (neuroticisme). Een hoge mate van neuroticisme samen met een sterke gerichtheid op de buitenwereld (extraversie) zou kunnen leiden tot crimineel gedrag en psychische stoornissen waar vooral de omgeving het slachtoffer van wordt (psychopathie). Een hoge mate van neuroticisme gecombineerd met een sterke op zichzelf gerichtheid (introversie) zou eerder angstneurosen, obsessies en depressies met zich meebrengen.
    Terug naar A-B-C index

    Dysthyme stoornis
    Een stemmingsstoornis die gekarakteriseerd wordt door een algemene neerslachtigheid, weinig gevoel van eigenwaarde, futloosheid, concentratieproblemen, gevoelens van hopeloosheid en te veel of te weinig eetlust. Minimaal twee van deze symptomen zijn aanwezig. De dysthyme stoornis onderscheidt zich van een depressieve stoornis doordat de depressie minder diep is. Tegelijkertijd is de stemming allang aanwezig, minimaal twee jaar. Wanneer een organische oorzaak bekend is van de lusteloosheid, wordt niet van een dysthyme stoornis gesproken. Als de stemmingsstoornis is een vast onderdeel uit lijk te maken van iemands persoonlijkheid, wordt ook gesproken van een depressieve persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Eetstoornissen
    Een aantal verwante stoornissen, waarbij de opname van voedsel ernstig verstoord is. Dit kan al op zeer jeugdige leeftijd ontstaan. Het kind eet dan duidelijk te weinig of is buitengewoon kieskeurig in de keuze van voedsel. Voorbeelden van eetstoornissen die op latere leeftijd voorkomen, zijn anorexia nervosa, bulimia nervosa en pica. Psychische moeilijkheden kunnen ook leiden tot braken, overeten of een verlies aan eetlust.
    Terug naar A-B-C index

    Ego

    1. Ook Ďikí en Ďichí. Sigmund Freud heeft de persoonlijkheid beschreven als opgebouwd uit het Ďidí (ĎEs)í, het ego (Ďikí of Ďichí) en het superego (Ď‹ber-Ichí). Binnen dit structurele model is het ego verantwoordelijk voor het in goede banen leiden van de driftimpulsen die afkomstig zijn van het Ďidí. Bovendien moet het ego rekening houden met de eisen van het superego (het geweten) en prikkels uit de buitenwereld, die innerlijke conflicten of angst kunnen veroorzaken. Het ego is feitelijk de instantie die de persoonlijkheid bij elkaar houdt. Voor de vervulling van deze functies beschikt het ego volgens Freud over een aantal afweermechanismen waarmee bepaalde intenties en gevoelens aan de bewuste zelfwaarneming onttrokken kunnen worden. Andere functies van het ego zijn het kennis nemen van de buitenwereld via de zintuigen, het geheugen, het vermijden van extreme prikkels uit de buitenwereld, het omgaan met gematigd sterke prikkels en het al handelend doelmatig en tot eigen voordeel veranderen van de omgeving.

    2. Een algemene aanduiding voor het centrale deel van iemands persoonlijkheid.

    Terug naar A-B-C index

    Egocentrisch maatschappijbeeld
    Term van de Duits-Britse socioloog Norbert Elias voor het wereldbeeld van mensen die zich als afzonderlijke individuen zien, en los van en tegenover de maatschappij en haar instituties staan. Het egocentrisch maatschappijbeeld dat Elias kenmerkend acht voor de zelf- en maatschappijbeleving van veel mensen in moderne samenlevingen, is volgens hem onjuist, omdat mensen niet los gezien kunnen worden van het geheel van sociale relaties dat zij met andere mensen in onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid vormen. Omgekeerd kunnen samenlevingen en sociale instituties slechts gezien worden als verschijningsvormen van onderling verbonden mensen. De autonomie van mensen ten opzichte van elkaar of de maatschappij is slechts relatief.
    Terug naar A-B-C index

    Egocentrisme

    1. Het erg op zichzelf gericht zijn, zich weinig aan de gevoelens van anderen gelegen laten liggen.

    2. In de theorie van Jean Piaget een kenmerk van het denken en taalgebruik van kinderen tussen ongeveer twee en vier jaar oud. In deze fase kan het kind zich niet in het standpunt van een ander verplaatsen en betrekt het alle waarnemingen en ervaringen op zichzelf. Egocentrisch taalgebruik wordt door Jean Piaget onderscheiden in echolalie (nabootsen van klanken), monoloog en collectieve monoloog (monoloog in aanwezigheid van anderen, zonder een gesprek met hen).

    Terug naar A-B-C index

    EgoÔsme
    Ook zelfzucht. Het nastreven van het eigenbelang, zonder met anderen rekening te houden. De verhouding tussen beide is een bekend probleem uit de geschiedenis van de filosofie. Hobbes achtte het egoÔsme kenmerkend voor de mens. Het tegenovergestelde van het egoÔsme, het ĎaltruÔsmeí, is hier secundair uit afleidbaar.
    Terug naar A-B-C index

    Ego-ideaal
    Ook ik-ideaal. Iemands opvatting over hoe hij graag zou willen zijn. Gedrag dat strijdig is met het ego-ideaal leidt tot schaamte. De schaamte zou als functie hebben het zelfbeeld te beschermen. De schaamte zorgt voor het gevoel niet echt zo te zijn als het vertoonde gedrag suggereert. De termen ik-ideaal en Ďsuperegoí worden soms als synoniem beschouwd.
    Terug naar A-B-C index

    Ego-ontwikkeling oftewel Ego-formatie
    Het gestalte krijgen van een ik, een eigen identiteit, tijdens het opgroeien. Deze ontwikkeling is wel beschreven als een opeenvolging van een aantal stadia.

    1. Tijdens het eerste stadium, de periode van de ego-formatie, heeft het kind nog niet in de gaten dat het een eigen ik heeft. Het is eerst volledig op zichzelf gericht en daarna vormt het een symbiotische relatie met de moeder.

    2. De impulsieve fase begint bij de eerste taalverwerving. Het kind ontdekt de eigen wil, maar kan die nog niet zelf reguleren. Het zelfstandig bestaan heeft een aanvang genomen.

    3. De zelfbeschermende fase volgt hierop. De persoon is niet meer zo sterk afhankelijk en de relaties met anderen worden alleen aangegaan voor het eigen nut. Deze fase eindigt ongeveer aan het einde van de kindertijd.

    4. Hierna treedt de conformistische fase in. Men herkent het belang van de groep en richt zich volledig naar de bestaande normen en waarden.

    5. De bewust-conformistische of zelf-bewuste fase bestaat er in dat de persoon herkent dat er meerdere aanvaardbare gedragsalternatieven zijn buiten conformeren. Deze fase wordt soms wel en soms niet als een aparte fase beschouwd.

    6. In de bewuste fase is het voor het beoordelen van gedrag niet langer bepalend of anderen het aanvaardbaar achten. De algemeen geaccepteerde regels binnen de samenleving vormen de grondslag.

    7. In de individualistische fase wordt het ik van de persoon verder ontplooid. De persoon begint hier de verschillende mogelijkheden die het leven biedt te waarderen.

    8. De autonome fase maakt de ontwikkeling uit de vorige fase af. De persoon heeft nu ook oog voor de verschillende persoonlijkheden en standpunten van anderen.

    9. In de geÔntegreerde fase ten slotte, ziet de persoon zichzelf als een onderdeel van een groter geheel. Volgens de theorie doorloopt niet iedereen al deze fasen. Iemand kan in de zelfbeschermende fase blijven hangen en dan als een egoÔst door het leven gaan. De genoemde indeling is overigens niet de enige die betrekking heeft op de ego-ontwikkeling. Erik Erikson stelde bijvoorbeeld een verwante theorie op. Sigmund Freud beschreef de psychoseksuele ontwikkeling. Lawrence Kohlberg de morele ontwikkeling. Jean Piaget ten slotte had vooral oog voor de cognitieve ontwikkeling.

    Terug naar A-B-C index

    Ego-psychologie
    Ook ik-psychologie. Een stroming binnen de psychoanalyse die de nadruk legt op het autonoom functioneren van het Ďikí of het ego. De theoretici van deze richting bestrijden dat gedrag voornamelijk voortkomt uit onbewuste beweegredenen, zoals Sigmund Freud beweerde. Het ego zou handelingen zoals waarnemen, leren, denken en bewegen vrijwel onafhankelijk van de driften uit het Ďidí volbrengen. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze richting, Heinz Hartmann (1894-1970), sprak in dit verband over autonome ego-functies, die niet het resultaat zijn van het conflict tussen driftmatige verlangens en het superego. Voorts was hij van mening dat deze conflictvrije sfeer van het ego zich in de loop van iemands ontwikkeling kon uitbreiden. Na verloop van tijd zouden sommige functies die oorspronkelijk tot de conflictsfeer van het ego behoorden (zoals afweermechanismen), zelfstandig en onafhankelijk van het driftleven gaan functioneren. Hartmann noemde deze functies secundaire autonome ego-functies. Zij kunnen een positieve rol gaan spelen bij de aanpassing van de persoonlijkheid.
    Terug naar A-B-C index

    Ejaculatie
    Ook zaadlozing. Plotselinge, min of meer krachtige uitstorting van sperma uit de urinebuis, normaliter als onderdeel van een orgasme. De zaadlozing begint met samentrekkingen van achtereenvolgens testes en bijballen (leveren de zaadcellen), zaadleider, prostaat en zaadblaasjes, waarna het sperma in de urinebuis wordt gedreven. Vervolgens kan het zaad door samentrekkingen van de urinebuis de penis verlaten.
    Terug naar A-B-C index

    Ejaculatie, voortijdige
    Zaadlozing na minimaal seksueel contact, zodat het niet lukt beide partners genoegen te laten beleven aan de geslachtsdaad. Dit heeft waarschijnlijk een psychische oorzaak, maar het kan ook een reactie zijn op andere problemen, zoals pijn en problemen met de erectie.
    Terug naar A-B-C index

    Electief mutisme
    Ook selectief mutisme. Een stoornis waarbij kinderen weigeren te spreken in specifieke situaties. Het vaakst zal het kind wel praten met goede bekenden en familie, maar niet met andere leeftijdgenoten en vreemden. Een omgekeerd patroon is eveneens mogelijk. De taalvaardigheid is niet gestoord. De weigering te spreken heeft een emotionele oorsprong. Zo kan er sprake zijn van een vorm van opstandigheid of van extreme verlegenheid.
    Terug naar A-B-C index

    Electra-complex
    De vrouwelijke tegenhanger van het oedipus-complex. De psychoanalytische theorie stelt dat de dochter zich vooral aangetrokken voelt tot de vader. De moeder wordt beleefd als een hinderlijke concurrent in de strijd om de liefde van de vader. Dit complex zou aan kracht winnen wanneer een stiefmoeder de plaats heeft ingenomen van de biologische moeder.
    Terug naar A-B-C index

    Emotie
    Gemoedsbeweging. Aan emoties zitten verschillende kanten: het aspect van de bewuste ervaring (bijvoorbeeld blijdschap of verdriet), een gedragsaspect (wegrennen of vechten) en een fysiologisch aspect (zweten of hartkloppingen). Woede kan bijvoorbeeld begrepen worden als een onaangenaam gevoel, gecombineerd met een neiging de ander kwaad te doen, wat onder andere gepaard gaat met een boos vertrokken gezicht, een versnelde hartslag en een verhoogde spierspanning.
    Van oudsher worden plezierige en onplezierige emoties onderscheiden. Men spreekt daarbij van de hedonistische waarde van een emotie (Grieks: hŤdonŤ = lust). Een grondregel van gedrag is dat het organisme streeft naar lust of blijdschap, en naar het vermijden van onlust of verdriet. Een tweede dimensie die bij emoties onderscheiden kan worden, is de activeringsgraad, dat wil zeggen de mate waarin de emotie gedrag opwekt. Dit is een dimensie die loopt van slaap tot zeer hevige opwinding. Veel theoretici nemen in navolging van de bioloog Charles Darwin aan dat emoties nuttig zijn. Mens en dier zijn geneigd onlust te vermijden, en daardoor vormen emoties de drijfveer om te ontsnappen aan gevaarlijke en andere vervelende situaties. Emoties vergroten de kans op overleving. Binnen de hersenen speelt vooral het Limbisch systeem een belangrijke rol bij de totstandkoming van emoties. Het is echter niet als enige verantwoordelijk voor emoties. Lagere hersendelen en de hersenschors zijn eveneens belangrijk en de, zoals we nu weten, de kleine hersendelen die in ons hart en darmen gesitueerd zijn.
    Terug naar A-B-C index

    Emotieregulatie
    Het in goede banen leiden van de eigen emoties. De mens kan zowel de uitingen van emoties beheersen, als - tot op zekere hoogte - ook de gevoelens. Het maakt bijvoorbeeld veel uit of iemand er al dan niet bewust - voor kiest een grapje over de eigen persoon te zien als een ernstige belediging of als een plagerig-vriendelijke vorm van spot. Er zijn voldoende aanwijzingen dat de emotieregulatie bij vrijwel iedere emotie een belangrijke rol speelt. Een beschadiging van de hypothalamus kan tot het wegvallen van deze regulatie leiden. Er ontstaat een toestand die schijnwoede (het met enorme heftigheid reageren op kleine tegenslagen) genoemd wordt. Andere aanwijzingen zijn dat bij vermoeidheid of dronkenschap emoties aan intensiteit winnen. Men geeft zich over aan vreugde, verdriet of woede omdat de regulatie het gedeeltelijk laat afweten. Nog een aanwijzing voor het belang van regulatie is dat onverwachte gebeurtenissen een sterkere emotionele reactie uitlokken. De tijd voor regulatie ontbreekt.
    Terug naar A-B-C index

    Emotieregulatie, stoornissen in de
    Een beperkte of geen controle over de eigen emotionele beleving.

    1. Schijnwoede of shamrage (bij proefdieren). Het na een minimale aanleiding maximaal boos reageren. Dit kan voorkomen bij een beschadigde hypothalamus.

    2. Emotionele incontinentie (bij patiŽnten). Het als gevolg van een hersenbeschadiging niet meer kunnen controleren van de uitingen van het eigen gevoelsleven.

    3. Emotionele labiliteit. Snel wisselende en heftige emoties. De drempel die overschreden moet worden voor een emotionele reactie plaatsvindt, is hierbij zeer laag.

    Terug naar A-B-C index

    Emoties, ABC-model van
    Het emotiemodel dat in de rationeel emotieve therapie wordt gehanteerd. Hier gaat men ervan uit dat een emotie voorafgegaan wordt door een activerende ervaring (A), hierna volgt een evaluatie of beoordeling van de situatie (B) en hieraan worden bepaalde gevolgen of consequenties verbonden (C). Deze laatste stap legt het individu zichzelf op door bijvoorbeeld op zichzelf in te praten. Dit gedrag kan er voor zorgen dat neurotische symptomen in stand worden gehouden.
    Terug naar A-B-C index

    EmotietheorieŽn
    De theoretische opvattingen over emoties.

    1. Een van de eerste moderne emotietheorieŽn werd door de Amerikaanse psycholoog William James (1842-1910) en de Deense fysioloog Carl Georg Lange, onafhankelijk van elkaar, opgesteld. Deze James theorie stelde dat lichamelijke veranderingen aan het emotionele gevoel voorafgaan. Iemand rent niet weg, omdat hij bang is, maar is bang, omdat hij wegrent. James en Lange meenden dus dat de waarneming van een bepaalde uitwendige gebeurtenis lichamelijke veranderingen (inwendige gebeurtenissen) teweegbrengt en dat het ondergaan, het voelen van die verandering de emotie is. De James-Lange-theorie wordt wel een perifere emotietheorie genoemd, omdat de oorzaak van het gevoel in het lichaam (de periferie) gezocht wordt.

    2. Een centrale emotietheorie werd opgesteld door de Amerikaanse fysioloog Walter B. Cannon (1871-1945). Hij meende in navolging van de Britse bioloog en opsteller van de evolutietheorie Charles Darwin dat emoties biologisch nut hebben. Ze staan met andere woorden in dienst van het behoud van het individu en de soort. Zo zou angst het lichaam gereed maken om te kunnen vechten of vluchten. De theorie wordt vaak aangeduid als de Cannnon-Bard-theorie of de thalamustheorie van emoties.

    3. De grondlegger van het behaviorisme, John B. Watson, (1878-1958) omschreef emoties als een gedeeltelijk erfelijk bepaald en gedeeltelijk aangeleerd reactiepatroon waarmee ingrijpende veranderingen van alle lichaamsprocessen gemoeid zijn. De emotie wordt gezien als een soort reflex, een automatische reactie op bepaalde omstandigheden. Het reactiepatroon zou bovendien gevoelig zijn voor conditioneren.

    4. De Zwitserse psycholoog Eduard ClaaparŤde (1873-1940) benadrukte het ontregelende effect dat emoties kunnen hebben. Hij stelde dat iemand die wegrent geen angst zal voelen omdat hij het gevaar kan ontwijken. Angst ontstaat juist, wanneer hij niet kan wegrennen. Emoties treden in deze visie pas op als aanpassing onmogelijk is en zijn daarom in feite nutteloos en zelfs schadelijk.

    5. De cognitieve emotietheorieŽn benadrukken dat iemands waarneming van een situatie van cruciaal belang is voor de emotionele beleving. Emotioneel gedrag volgt pas als een situatie als bedreigend of aangenaam wordt gezien. De Amerikaanse psycholoog Marga B. Arnold onderscheidt zes fasen in een emotieproces: de waarneming, de beoordeling of taxatie, de emotie (het bewust ervaren gevoel), de lichamelijke veranderingen, de secundaire taxatie (de gewaarwording van de lichamelijke verandering) en ten slotte de actie. De actie bestaat uit handelingen (bijvoorbeeld wegrennen of iemand omarmen) die wat hun gerichtheid betreft, afhangen van de inschatting van de situatie.

    6. Een ander voorbeeld van een cognitieve emotietheorie is opgesteld door de Nederlandse psycholoog Nico H. Frijda. Emoties zijn volgens hem in de eerste plaats gevoelens dat het goed of slecht gaat. Zij sporen iemand aan om bepaalde handelingen uit te voeren. Het zijn met andere woorden actietendensen. Vreugde geeft de tendens 'houden zo' en droefheid geeft de neiging tot veranderen. Buiten het gevoel en de geneigdheid tot gedrag onderscheidt Frijda nog een derde aspect aan emoties: de waarneming van de actiebereidheid, bijvoorbeeld het gevoel dat je de ander zou willen kussen of slaan. De actietendensen zijn nuttig, omdat zij de belangen van het individu bewaken. Boosheid treedt bijvoorbeeld op als een ander de belangen van het individu schaadt. Om de belangen effectief te kunnen bewaken, moeten emoties in staat zijn het lopende gedrag te onderbreken. Zij hebben met andere woorden voorrang in het sturen van het gedrag. Wanneer bijvoorbeeld een moeder haar kind in het water ziet vallen, aarzelt zij geen ogenblik en duikt er direct achteraan. De emoties vormen bij Frijda een apart besturingssysteem voor gedrag dat reageert als een situatie in strijd of in overeenstemming is met de belangen van het individu.

    7. Ten slotte zijn er verschillende emotietheorieŽn die vooral betrekking hebben op de neuronanatomie van emoties. Zij bestuderen welke hersendelen betrokken zijn bij emotionele reacties. Met name het Limbisch systeem wordt van belang geacht.

    Terug naar A-B-C index

    Emotioneel gedrag
    Gedrag dat voortkomt uit een gevoel van het individu. Vluchten is bijvoorbeeld emotioneel omdat het voortkomt uit angst, en vechten omdat het voortkomt uit woede. Een bijzondere vorm van emotioneel gedrag is expressief gedrag. Dit gedrag is net als vechten en vluchten een uiting van een gevoel, maar het dient geen bepaald doel (de ander schade te berokkenen of zichzelf in veiligheid brengen). Lachen en huilen zijn voorbeelden van expressief gedrag. Zij geven uitdrukking aan een innerlijk beleven en zijn niet primair bedoeld om iets te bereiken.
    Terug naar A-B-C index

    Emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis
    Bestaat uit twee typen: het explosieve en het borderline type.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een sterke neiging tot direct en gedachteloos handelen, gecombineerd met een gebrek aan emotionele stabiliteit.
    Het lukt de persoon niet dingen volgens een plan uit te voeren. Er worden twee typen onderscheiden.
    Het impulsieve type (explosieve persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral moeite de eigen reacties in te tomen. Hij kan kritiek niet verdragen en komt vaak tot uitbarstingen van geweld of dreigt daarmee.
    Het borderline type (borderline persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral last van een sterk fluctuerend gevoelsleven, dat gekenmerkt wordt door sterke gevoelens van leegte. Hij weet niet wat hij wil of wie hij precies is. De persoon komt vaak terecht in intense en onstabiele relaties, en de angst voor verlating drijft hem soms tot het uiterste. Zo kan hij dreigen met zelfmoord als de ander hem zou verlaten.
    Terug naar A-B-C index

    Emotionele anesthesie: zie emotionele beleving, stoornissen in de

    Emotionele beleving
    Het ervaren van gevoelens. In de eerste plaats heeft dit de dimensie van pijn en plezier, oftewel onlust en lust. Naast deze basale eigenschap van ieder gevoel kunnen nog meer aspecten onderscheiden worden. De Nederlandse psycholoog N.H. Frijda noemt o.m. het besef van de lichamelijke reactie (bijvoorbeeld hartkloppingen), de beleefde impuls tot handelen (iemand willen omarmen of pijn willen doen) en de ervaring dat de gebeurtenis die de emotionele reactie uitlokt, van belang is voor het welbevinden van het individu.
    Terug naar A-B-C index

    Emotionele beleving, stoornissen in de
    Het niet meer normaal kunnen ervaren van gevoelens.

    1. Hypesthesie of anesthesie. Het niet meer ervaren van gevoelens. Dit is een onderdeel van vitale depressies. Vreugde en verdriet gaan langs de persoon heen, die zich koud, dood of leeg van binnen voelt.

    2. Affectarmoede of affectvervlakking. Het minder sterk beleven van emoties. Dit kan een overblijfsel zijn van een genezen psychose.

    3. Inadequaat gevoel. Een emotionele reactie die niet past bij de omstandigheden, zoals lachen bij het overlijden van een geliefd persoon. Dit komt voor bij geesteszieken.

    4. Overgevoeligheid (zie emotieregulatie, stoornissen in de).

    Terug naar A-B-C index

    Emotionele Hypesthesie: zie emotionele beleving, stoornissen in de

    Emotionele intelligentie
    De vaardigheid bij het hanteren van emoties. Hierbij worden vijf terreinen onderscheiden.

    1. De kennis van de eigen emoties. Wie beter weet wat hij zelf voelt, is beter in staat op grond hiervan tot beslissingen te komen.

    2. De regulering van emoties. Het in de hand kunnen houden van emoties, zodat de heftigheid van de reactie aansluit bij de ernst van de omstandigheden: de emoties moeten in de context passen.

    3. Zelfmotivatie. Iemand moet zichzelf ertoe kunnen brengen om bepaalde dingen te doen.

    4. Het herkennen van emoties bij anderen. Dit vermogen tot empathie maakt het mogelijk een betere afstemming met anderen te verkrijgen.

    5. Het kunnen hanteren van relaties. Hier gaat het vooral om de sociale vaardigheden en het kunnen inspelen op gevoelens van anderen. Het begrip emotionele intelligentie is populair gemaakt door de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman. Het is in veel opzichten hetzelfde als wat men vroeger sociale intelligentie noemde.

    Terug naar A-B-C index

    Emotionele ontwikkeling
    Het tot stand komen van het volwassen emotioneel functioneren. In verschillende psychologische theorieŽn wordt daarbij sterk de nadruk gelegd op de eerste levensjaren. In deze tijd kan door een goede verzorging een gevoel van veiligheid ontstaan op grond waarvan een gezonde emotionele ontwikkeling mogelijk is. Het belang hiervan is ook met behulp van dierproeven aangetoond (Harry Frederick Harlow). Met name van belang is dat er adequaat op de baby of het jonge kind gereageerd wordt, zodat het kan leren dat de omgeving min of meer beheersbaar is.
    Terug naar A-B-C index

    Empathie
    Het vermogen zich te verplaatsen in de belevingswereld van anderen. Dit vermogen wordt met name binnen de Rogeriaanse therapie van doorslaggevend belang geacht voor het welslagen van de behandeling. Door dit begrip kan de cliŽnt vrijer ten opzichte van zichzelf komen te staan, zijn problemen anders zien en zelf beslissingen tot veranderingen nemen. De cliŽnt kan met andere woorden zijn eigen potentieel verwezenlijken.
    Terug naar A-B-C index

    Episodische paroxismale angst
    Ook paniekstoornis. Een aandoening die gepaard gaat met terugkerende, hevige paniekaanvallen die meestal slechts enkele minuten aanhouden, hoewel ze ook langer kunnen duren. De angst treedt niet op als reactie op een bepaalde situatie en de angstaanvallen zijn daardoor onvoorspelbaar. Tijdens de angstaanval komen klachten als hartkloppingen, kortademigheid, misselijkheid, pijn op de borst, flauwte en hevige transpiratie voor. Daarbij komt vaak de angst om dood te gaan of het verstand te verliezen. Tussen de angstaanvallen door verdwijnt de angst, hoewel de persoon wel bevreesd kan zijn voor het opnieuw optreden van een angstaanval. Het gebeurt dan ook vaak dat de persoon niet meer de straat op durft en niet alleen wil zijn.
    Zie ook: agorafobie
    Terug naar A-B-C index

    Eufoor, Euforie
    Een sterk gevoel van welbehagen. Dit is een normale reactie als het mensen goed gaat, maar euforie kan ook voorkomen bij psychische stoornissen, zoals een manie. Bij deze stoornis ontbreekt de relatie tussen het goede gevoel en aangename gebeurtenissen. Euforie kan ook bereikt worden door de inname van bepaalde drugs en alcohol.
    Terug naar A-B-C index

    Exhibitionisme
    Een vooral bij mannen voorkomende seksuele afwijking die gekenmerkt wordt door de neiging de geslachtsdelen aan een toevallige voorbijganger of aan een groot publiek te tonen. Dit veroorzaakt grote opwinding en wordt doorgaans gevolgd door masturbatie. De daad is geen poging tot het verkrijgen van seksueel contact. Exhibitionisten hebben het gevoel dat zij hun gewoonte niet kunnen beheersen en zij herhalen hun daad gemiddeld meer dan vijfhonderd keer.
    Terug naar A-B-C index

    Fallisch karakter
    Ook fallisch-narcistisch karakter.
    Een karakterstructuur die volgens psychoanalytici ontstaat als iemand niet in staat is de angsten uit de Oedipale fase te overwinnen. Dit komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Symptomen zijn een overdreven zelfvertrouwen, gecombineerd met een zeer kwetsbare trots en angst voor en verachting van vrouwen, terwijl de penis wordt gezien als een orgaan voor agressie.
    Terug naar A-B-C index

    Fallisch narcisme
    Een overdreven vorm van zelfvertrouwen die voortkomt uit een enorme overschatting van de eigen penis. Dit komt volgens psychoanalytici voor bij kleine jongetjes die net hebben ontdekt dat zij wel en meisjes geen penis hebben. Zij gaan daardoor bijvoorbeeld met geweren spelen. Dit wordt gezien als een symbolische verheerlijking van het eigen geslachtsorgaan. Het fallisch narcisme is een soort overschreeuwen van de castratieangst en kan het hele leven blijven bestaan. De persoon heeft dan een fallisch karakter.
    Terug naar A-B-C index

    Fallische fase

    1. Volgens psychoanalytici de derde fase van de psychoseksuele ontwikkeling. De periode begint in het tweede levensjaar en duurt tot in de 'Oedipale fase. De primaire bron van lustbevrediging is in deze fase het eigen geslachtsdeel. Hoewel de term fallisch duidelijk naar het mannelijk geslachtsorgaan verwijst, maken meisjes dezelfde periode door. In deze fase begint de ontwikkeling van jongens en meisjes verschillende vormen aan te nemen.

    2. Een combinatie van de fallische fase, zoals hierboven beschreven, en de Oedipale fase. In deze opvatting duurt de fallische fase voort tot in het zevende levensjaar.

    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Falsificatie
    Weerlegging. Volgens de wetenschapsfilosoof Karl Raimund Popper (geb. 1902) is de ontwikkeling van de wetenschap het meest gediend met een speurtocht naar feiten die een bepaalde theorie weerleggen. Een algemene hypothese kan namelijk nooit bewezen worden met een eindig aantal observatie-uitspraken (verificatie), maar de theorie kan wel weerlegd worden door ťťn enkele uitspraak. Zo kan de theorie Ďalle zwanen zijn wití weerlegd worden door het tonen van ťťn zwarte zwaan, terwijl het laten zien van duizend witte zwanen geen sluitend bewijs vormt van de theorie. Volgens Popper heeft een theorie meer zeggingskracht naarmate zij beter falsifieerbaar is. Zo kan de theorie Ďalle levende wezens zijn sterfelijkí makkelijker weerlegd worden dan de theorie Ďalle mensen zijn sterfelijkí. leder onsterfelijk levend wezen dat gevonden kan worden, toont namelijk aan dat de theorie onjuist is. De eerstgenoemde theorie gaat over een grotere hoeveelheid verschijnselen en heeft daardoor een grotere empirische inhoud.
    Terug naar A-B-C index

    Fanatisme
    Het in extreme mate en meestal zeer emotioneel aanhangen van een bepaald idee, gepaard met het willen Ďbekerení van anders denkenden. Een fanaticus is niet in staat om zich in een ander standpunt in te leven en vermijdt elke vorm van discussie.
    Terug naar A-B-C index

    Fantasie
    Het vermogen om zich voorstellingen van allerlei aard te vormen. Verzinsel en werkelijkheid worden daarbij tot een nieuw geheel samengevoegd. De inhoud van de voorstellingen wordt bepaald door persoonlijke wensen, behoeften, gevoelens of verlangens en wordt over het algemeen als plezierig ervaren. Volgens de psycholoog William James (1842-1910) is het verschil tussen het Ďnormaleí fantasie leven en het Ďgestoordeí denken minder groot dan over het algemeen wordt aangenomen. De wanen en hallucinaties van ernstig geestelijk gestoorden liggen volgens hem in het verlengde van normaal fantaseren en dagdromen. Sigmund Freud sloot zich bij deze opvatting aan. Zijn ervaringen met neurotische patiŽnten brachten hem tot een theorie over de aard en functie van fantasie die hij algemeen toepasbaar achtte. Volgens Freud kunnen mensen zelden rechtstreeks aan al hun verlangens en behoeften voldoen, hetgeen tot allerlei spanningen leidt. Om zulke spanningen te verwerken, zou men over verschillende afweermechanismen beschikken. Zo kan men bij wijze van afweer angstverwekkende denkbeelden of impulsen onderdrukken of zijn toevlucht nemen tot dagdromen en fantaseren. De bron van fantasieŽn bestaat volgens deze opvatting uit onvervulde, en vaak ook onvervulbare wensen. Fantaseren vormt een uitlaatklep voor al te onbezonnen pogingen om wat toch niet haalbaar is, te proberen te bereiken. De fantasie heeft in deze opvatting een driftreducerend karakter. Fantasie speelt met name een belangrijke rol in het leven van jonge kinderen (magisch denken), maar is ook bij volwassenen een teken van psychisch gezond functioneren. Pas wanneer de fantasie het leven gaat overheersen, krijgt het ongezonde aspecten.
    Terug naar A-B-C index

    Fetisjisme
    Het woord fetisj is afkomstig uit het Portugees en duidt een vereerd voorwerp aan. Fetisjisme is een vrijwel uitsluitend bij mannen voorkomende seksuele afwijking, waarbij seksuele prikkeling en bevrediging alleen mogelijk zijn met behulp van een levenloos voorwerp (het fetisj), bijvoorbeeld bepaalde kleding.
    Terug naar A-B-C index

    fMRI-scan
    Afbeelding van subtiele veranderingen in de bloedstroom in de hersenen. Zenuwcellen die actief zijn krijgen extra bloed en daardoor kan de fMRI gebruikt worden om zichtbaar te maken, welke delen actief zijn bij het uitvoeren van bepaalde taken. Hierbij maakt men gebruik van een vergelijkingsstaak om de ruis weg te halen. Men laat de proefpersoon bijvoorbeeld eerst losse woorden lezen en dan dezelfde woorden in zinsverband. Het verschil in activiteit bij beide taken laat zien welke hersendelen actief zijn bij het interpreteren van de grammatica, het verband tussen woorden in een zin.
    Terug naar A-B-C index

    Fobie
    Een irreŽle, grote angst voor specifieke situaties, objecten, activiteiten of personen die niet als gevaarlijk gelden. Voor de persoon met de fobie is de angst zeer levensecht, en gaat bijvoorbeeld gepaard met hartkloppingen of een wee gevoel. Een fobie kan iemand in zijn doen en laten ernstig beperken, vooral wanneer het moeilijk is om de situatie die de fobie veroorzaakt, te vermijden. Wanneer een fobie onbehandeld blijft, kan zij tientallen jaren blijven bestaan. Een fobie gaat vaak gepaard met een depressie.

    Voorbeelden van fobieŽn zijn: schoolfobie, agorafobie (het niet de straat op durven vanwege de vrees dat een paniekaanval zal optreden), examenfobie, claustrofobie (engtevrees), zoŲfobie (angst voor dieren), acrofobie (extreme hoogtevrees), slangfobie, sociale fobie (voor de kritische beoordeling van anderen) en nycto- of achluofobie (angst voor het donker).
    Terug naar A-B-C index

    Fobietest
    Met dit soorttests kan een fobie worden opgespoord. Voorbeelden zijn de Vreesvragenlijst FSS-1I1 en de AZU Vreesvragenlijst. Beide tests zijn geschikt voor volwassenen en kunnen individueel of groepsgewijs worden afgenomen.

    Zie ook: psychologische test
    Terug naar A-B-C index

    Fobie, sociale Ook antropofobie. Een fobie waarbij de angst met name gericht is op het contact met mensen buiten de eigen familiekring. Deze stoornis gaat vaak gepaard met een geringe zelfwaardering en hevige angst voor kritiek of afkeurende blikken. Een sociale fobie kan beperkt zijn tot zeer specifieke situaties, zoals de angst voor het spreken in het openbaar of naar de wc gaan op kantoor, maar kan ook betrekking hebben op vrijwel alle contacten met medemensen.
    Terug naar A-B-C index

    Functionele analyse
    Ook wel gedragsanalyse genoemd. De eerste fase in de gedragstherapie. De therapeut probeert daarbij na te gaan welke situaties het ongewenste gedrag uitlokken en waardoor het probleemgedrag in stand gehouden wordt.
    Terug naar A-B-C index

    Fysiologie
    Ook functieleer. Tak van wetenschap die de biologische processen bestudeert die ten grondslag liggen aan de normale werking van levende organismen en hun organen. Het gaat om de basale processen die noodzakelijk zijn om het leven in stand te houden.
    Terug naar A-B-C index

    Fysiologische psychologie
    Ook fysiopsychologie. Tak van de psychologie die zoekt naar de stoffelijke kanten van psychische processen. Een belangrijk onderdeel hiervan is de neuropsychologie, waar het functioneren van de hersenen wordt bestudeerd. Veel aandacht krijgt ook de werking van hormonen. Binnen de fysiologische psychologie wordt veelvuldig gebruik gemaakt van proefdieren. Het onderzoeksveld van de fysiologische psychologie is vrijwel gelijk aan dat van de biopsychologie en kent grote overlappen met de psychofysiologie.
    Terug naar A-B-C index

    GABA
    Ook gamma-aminoboterzuur, GABA is de afkorting van het Engelse gamma-aminobutyric acid. Het is een aminozuur dat fungeert als bouwsteen van eiwit. In de hersenen is het bovendien de belangrijkste neurotransmitter met een remmende werking (door hyperpolarisatie van het cel membraan). Ongeveer 30% van alle zenuwcellen heeft GABA als neurotransmitter, terwijl vrijwel alle zenuwcellen gevoelig zijn voor de stof. GABA is werkzaam in de hersenen, het ruggenmerg en op enkele plaatsen in het lichaam. Veranderingen in het GABA systeem kunnen leiden tot ziektebeelden als epilepsie, bewegingsstoornissen zoals de ziekten van Huntington en Parkinson, angst en paniekaanvallen. De werking van de angstverminderende en spierontspannende benzodiazepinen komt tot stand doordat ze aan een bepaalde groep GABA receptoren hechten en gedeeltelijk de werking van GABA versterken. Ook de kalmerende barbituraten hechten zich aan GABA-receptoren.
    Terug naar A-B-C index

    GABA-receptoren
    De receptoren in het zenuwstelsel die gevoelig zijn voor de neurotransmitter GABA. Er zijn twee hoofdtypen: GABA-A en GABA-B. GABA-C wordt tegenwoordig geschaard onder het A-type. Het A-type zorgt ervoor dat de ionenkanalen voor chloride bij de ontvangende cel worden geopend. Dit leidt ertoe dat de spanning op de celwand vermindert, zodat er minder snel een actiepotentiaal ontstaat. Deze werking is dus remmend en komt snel tot stand. Angstdempende medicatie grijpt aan op de GABA-A-receptor. Er zijn zeker 19 verschillende typen GABA-A -receptoren. GABA-B leidt tot een tragere reactie die tot stand komt via second messengers. Via een samenspel van verschillende factoren werkt ook GABA-B remmend.
    Terug naar A-B-C index

    GAF-schaal
    Global Assessment of Functioning scale (Globaal Algemeen Functioneren). Een in de DSM-IV opgenomen meetinstrument waarmee een globale inschatting gemaakt kan worden van iemands psychische, sociale en beroepsmatige functioneren. De schaal loopt van 1 (voortdurend gevaar voor zichzelf en anderen, ernstig tekortschieten in zelfverzorging of ernstige zelfmoordpoging) tot 100 (geen symptomen, levensproblemen lopen nooit uit de hand, anderen zoeken persoon op vanwege positieve kwaliteiten).
    Terug naar A-B-C index

    Geboortevolgorde
    Ook plaats in de kinderrij. De rangorde in leeftijd van broers en zusters. Psychologisch onderzoek naar het effect van de plaats van een kind binnen het gezin heeft o.a. uitgewezen dat oudste kinderen zich tegenover leeftijdgenoten vaker dominant gedragen dan jongste kinderen en dat afhankelijk gedrag en tegendraads gedrag vaker wordt aangetroffen bij jongste kinderen. Deze effecten zijn bescheiden, maar wel significant.
    Terug naar A-B-C index

    Geboortetrauma
    (trauma = wond)

    1. Een beschadiging die het kind tijdens de geboorte oploopt. De hersenen kunnen hierbij beschadigd worden door zware druk op de schedel of door een tekort aan zuurstof of suiker in het bloed. De ernst van het geboortetrauma kan vastgesteld worden met de apgar-score.

    2. In de psychoanalytische theorie: het gevoel van enorme hulpeloosheid dat het kind overvalt bij de geboorte. Het kind komt vanuit de veilige baarmoeder terecht in de vijandige buitenwereld. Uit deze overweldigende ervaring ontstaat een overweldigende angst, waarvan alle andere angstvormen in het latere leven afgeleid zijn.

    Terug naar A-B-C index

    Gedachtegangstoornissen
    Een aantal verwante denkstoornissen.

    1. Perseveratie is een stoornis waarbij de gedachtegang vertraagd is en waarbij veel herhalingen plaatsvinden zonder dat de gedachten ergens naar toe leiden.

    2. Soms lijkt het alsof de gedachtegang gedurende enige tijd wordt afgebroken, een blokkering die met de Duitse term Sperrung wordt aangeduid. Ze treedt op bij een helder bewustzijn en is enigszins te vergelijken met het niet verder kunnen spreken als een pijnlijk onderwerp wordt aangeroerd. Bij Sperrung wordt echter een gevoel van innerlijke leegte, een werkelijk afbreken van de gedachtegang beleefd. Deze stoornis komt vaak bij schizofrenie voor.

    3. Incoherentie is een gedachtegang waarin geen logische samenhang valt te ontdekken. Zij komt ook voor bij schizofrenie.

    Terug naar A-B-C index

    Gedrag
    Alle waarneembare handelingen en activiteiten die een levend wezen uitvoert. Volgens de grondlegger van het behaviorisme, John B. Watson, is dit het enig toelaatbare studieterrein van de psychologie (waarbij b.v. geestelijk lijden door gevoelens uitgebannen werd en de psychologie ongelooflijk beperkt werd) . Het is echter moeilijk te bepalen wat nog wel gedrag genoemd kan worden en wat niet. Immers, als de juiste apparatuur gebruikt wordt, is het mogelijk om bijvoorbeeld veranderingen in de bloedsamenstelling waar te nemen. Dit wordt echter door de meeste psychologen niet meer als gedrag beschouwd. Men heeft dit getracht op te lossen door een onderscheid te maken tussen gedrag dat grotere gehelen omvat (molair gedrag) en kleinere gedragselementen (moleculair gedrag). Dit laatste studieterrein werd veelal aan fysiologen overgelaten. De scheiding blijft echter problematisch. Een andere moeilijkheid voor de behavioristen was om activiteiten als dromen en denken een plaats te geven. De oplossing hiervoor werd gezocht in een onderscheid tussen overt en covert behavior: resp. openlijk en verborgen gedrag. Dit onderscheid doet echter afbreuk aan de eis dat gedrag observeerbaar moet zijn.
    Terug naar A-B-C index

    Gedragsanalyse
    Ook wel functionele analyse genoemd. De eerste fase in de gedragstherapie. De therapeut probeert daarbij na te gaan welke situaties het ongewenste gedrag uitlokken en waardoor het probleemgedrag in stand gehouden wordt.
    Terug naar A-B-C index

    Gedragsstoornis

    1. Een algemene aanduiding voor stoornissen waarbij het uiterlijk waarneembare gedrag abnormaal is. Dit kan uiteenlopen van gokverslaving tot bedplassen of pyromanie (een ziekelijke neiging tot brandstichten).

    2. Ook conduct disorder. Een op jeugdige leeftijd voorkomend patroon van agressief en uitdagend gedrag. Het asociale gedrag herhaalt zich en is ernstig; het gaat verder dan kattenkwaad. Voorkomende gedragingen zijn bijvoorbeeld: veel vechten, wreedheid jegens dieren, liegen, ongehoorzaamheid, heftige woedeaanvallen, spijbelen en ernstige vernielzucht. Kinderen met gedragsstoornissen zijn vaak ernstig verwaarloosd door hun opvoeders en hebben moeilijkheden op school.

    Zie ook: gedragsstoornis, gesocialiseerde en niet-gesocialiseerde; oppositioneel-opstandige stoornis
    Terug naar A-B-C index

    Gedragsstoornis, gesocialiseerde en niet-gesocialiseerde
    Gedragsstoornissen (betekenis 2) worden ingedeeld in verschillende groepen. Bij de niet-gesocialiseerde vorm heeft het kind problemen met vrijwel alle sociale relaties. Het heeft geen prettig contact met leeftijdgenoten, en ook geen hechte, vertrouwelijke band met volwassenen. Het kind is eenzaam en geÔsoleerd, en misdraagt zich meestal in zijn eentje. Bij de gesocialiseerde gedragsstoornis heeft het kind wel vriendschappelijke betrekkingen met leeftijdgenoten. Het asociale gedrag is bij deze kinderen vaak onderdeel van lidmaatschap van een bende. Er zijn wetenschappers die menen dat er bij de niet-gesocialiseerde gedragsstoornis echt sprake is van een psychiatrische stoornis of ziekte, maar bij de gesocialiseerde vorm niet. Deze laatste stoornis zou eerder een kwestie zijn van verkeerde vrienden.
    Terug naar A-B-C index

    Gedragstherapie
    Een vorm van psychotherapie die sinds het begin van de jaren zestig bestaat. Het uitgangspunt van de behandeling is dat ongewenst gedrag is aangeleerd en dus ook weer afgeleerd kan worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van eenvoudige leerprincipes, zoals belonen en (in mindere mate) straffen. De therapie is met name bruikbaar voor problemen als angstigheid voor bepaalde situaties (-fobie), en slechte gewoonten zoals roken, bedplassen en veel drinken. Het voordeel van de behandelwijze is dat in relatief korte tijd goede resultaten geboekt kunnen worden. Belangrijke therapeutische technieken binnen de gedragstherapie zijn onder andere systematische -desensitisatie en -implosieve therapie. De Ďgewoneí gedragstherapie weet minder goed raad met veel voorkomende psychische problemen, zoals depressies en psychosen, maar cognitieve gedragstherapie weer wel.
    Terug naar A-B-C index

    Gedragstherapie, cognitieve
    Een variant van de gedragstherapie, waarbij de therapeut zich niet alleen richt op het veranderen van gedrag, maar ook op de denkwereld erachter. Bij de behandeling van depressies richt men zich bijvoorbeeld op het uitdagen en ombuigen van negatieve denkpatronen. Een sterke kant van de cognitieve gedragstherapie is dat veel onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van de Behandeling. Het bestrijden van depressies en angststoornissen blijkt behoorlijk effectief.
    Terug naar A-B-C index

    Geheugen
    Het vermogen om dingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, te onthouden. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen herinnering en herkenning. In het eerste geval is de persoon in staat de geheugen inhoud zelf voor de geest te roepen en in het tweede geval realiseert de persoon zich dat een bepaalde indruk overeenkomt met informatie die al in het geheugen is opgeslagen. Mensen blijken in staat veel meer dingen passief te herkennen dan zich actief te herinneren.

    Het geheugen werkt met drie te onderscheiden stappen: het vastleggen, bewaren en opdiepen van informatie. Bij geheugenstoornissen kan elk van deze drie stappen zijn aangetast. Zo is het mogelijk dat iemand vlak na een ongeluk een groot deel van zijn geheugen kwijt is, maar dat dit later weer terugkomt in de herinnering. In zo'n geval was de herinnering de hele tijd wel bewaard, maar tijdelijk niet meer op te diepen.

    De menselijke hersenen beschikken niet over ťťn plaats waar alle herinneringen liggen opgeslagen. Er is sprake van veel verschillende geheugens. Zo liggen de herinneringen aan beelden ergens anders opgeslagen dan die aan geluiden. Ook beschikt het brein over een korte termijn geheugen en een lange termijngeheugen. Een ander onderscheid is dat tussen het procedurele en het declaratieve geheugen (geheugen, impliciet en expliciet).
    Terug naar A-B-C index

    Geheugenmetafoor
    Het gebruik van een vergelijking om het menselijke herinneren voor te stellen. De gebruikte metaforen zijn vrijwel allemaal te herleiden tot sporen en opslagplaatsen.

    1. De sporen.
      Het geheugen wordt hier voorgesteld als iets waar een afdruk op achter blijft. Dit is bijvoorbeeld herkenbaar in uitdrukkingen als 'in het geheugen gegrift staan' of een 'fotografisch geheugen'. Plato vergeleek het geheugen met een wastablet: stevig genoeg om afdrukken op vast te leggen (onthouden), maar ook soepel genoeg om daarna nog vervormd te kunnen worden (vergeten). De metafoor wordt ook gebruikt in psychologische theorieŽn waar de vastlegging van informatie wordt beschreven als inprenting. De vergelijking met sporen is echter zeer beperkt. De enige functie die er door beschreven wordt, is de vastlegging, terwijl de opdieping van informatie uit het geheugen onbelicht blijft.

    2. De opslagruimte.
      Het geheugen wordt hier gezien als een soort archief waar informatie netjes geordend wordt opgeslagen en ook weer terug te vinden is. Een uitdrukking als Ďuit het geheugen opdiepení is hiervan afgeleid. Ook in veel psychologische theorieŽn speelt de opslagmetafoor een belangrijke rol. Er wordt bijvoorbeeld wel gesproken van een zoekproces in het geheugen.

    Terug naar A-B-C index

    Genitale fase
    Volgens psychoanalytici de eindfase van de psychoseksuele ontwikkeling, waarin de voorafgaande fasen (orale fase, anale fase, fallische fase en oedipale fase) als het ware samenkomen. De fase begint in het twaalfde of dertiende levensjaar. De jongere wordt dan plotseling weer veel slordiger, gaat plezier beleven aan knoeien en kan allerlei vormen van vraatzucht vertonen. Een duidelijk verschil met de kleutertijd is dat de persoonlijkheid veel sterker is geworden. De jongere kan de impulsen onderdrukken. Dit kan leiden tot perioden waarin de tiener zich als een modelkind gedraagt. De belangstelling voor en het verlangen naar seks wordt in deze fase steeds sterker. Dit zorgt eerst voor fantasieŽn, die vaak gepaard gaan met masturbatie, en ten slotte voor het daadwerkelijk aangaan van (seksuele) relaties.
    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Geofagie
    (letterlijk: aardeten) Ziekelijke neiging om aarde te eten. Dit gedrag gaat voorbij aan de noden van het lichaam en is, als het niet voortkomt uit zwakzinnigheid, vaak een aanwijzing voor een ernstige psychische stoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Geslachtsdrift
    Ook libido sexualis. Drijfveer tot seksueel gedrag. Het begrip geslachtsdrift wordt veel gebruikt in biologische en psychologische theorieŽn waarin seksualiteit beschouwd wordt als een door een instinct bepaald gedragspatroon, te vergelijken met eten en drinken. Geslachtsdrift wordt dan opgevat als een primaire drijfveer, die weinig door prikkels van buitenaf wordt beÔnvloed. Tegenwoordig is deze opvatting - althans voor de menselijke seksualiteit- grotendeels verlaten. Zie ook: libido
    Terug naar A-B-C index

    Geslachtshormonen
    Hormonen met een stimulerende werking op de geslachtsorganen en de secundaire geslachtskenmerken (bijvoorbeeld baardgroei bij de man en borstgroei bij de vrouw). Zij zijn verder verantwoordelijk voor een licht afwijkende hersenontwikkeling van mannelijke en vrouwelijke embryo's. De geslachtshormonen worden hoofdzakelijk gemaakt in de geslachtsklieren. Men onderscheidt vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogenen en progesteron) en mannelijke geslachtshormonen (androgenen). De naam geslachtshormonen doet ten onrechte vermoeden dat het hormonen zijn die exclusief zijn voor een bepaald geslacht. Dit is onjuist want zo maken bijvoorbeeld de eierstokken bij de vrouw ook kleine hoeveelheden 'testosteron aan.
    Terug naar A-B-C index

    Geslachtsidentiteit
    (Eng: gender identity) De wijze waarop het eigen man- of vrouwzijn wordt beleefd. Dit gevoel ontstaat pas na het vierde levensjaar, Omdat tot die tijd het idee tot een bepaald geslacht te behoren ontbreekt. De geslachtsidentiteit heeft biologische en culturele wortels, maar de verschillende theoretici zijn het met elkaar oneens over hoeveel gewicht toegekend moet worden aan beide factoren.
    Terug naar A-B-C index

    Geslachtsidentiteitsstoornis
    Verwarring en onbehagen over het man- of vrouwzijn. Vormen die voorkomen, zijn:

    1. Het individu beleeft zichzelf zowel als man als als vrouw.

    2. Een afwisselende beleving als lid van het eigen en van het andere geslacht.

    3. De overtuiging eigenlijk tot het andere geslacht te behoren (transseksualiteit).

    Terug naar A-B-C index

    Geslachtsrol
    (Eng: gender role) Het vertonen van gedrag dat hoort bij het eigen geslacht. In de westerse cultuur is de rol van vrouwen als moeder/verzorger en de rol van mannen als kostwinner sterk benadrukt. De laatste jaren lijkt erop dit gebied een kentering plaats te vinden, waardoor zowel mannen als vrouwen een grotere keuzevrijheid hebben bij het bepalen van hun rol in de maatschappij.

    Zie ook: geslachtsidentiteit
    Terug naar A-B-C index

    Gespleten persoonlijkheid
    Een niet-wetenschappelijke aanduiding voor schizofrenie of voor een meervoudige persoonlijkheid. Bij de eerste stoornis is de samenhang tussen denken en voelen verstoord. Bij een meervoudige persoonlijkheid is sprake van een splijting van de psyche in verschillende persoonlijkheden. Bij deze afgesplitste persoonlijkheden is de relatie tussen denken en voelen wel intact. Bij schizofrenie is geen sprake van afgescheiden persoonlijkheden.
    Terug naar A-B-C index

    Gestaltpsychologie
    Een stroming in de psychologie die vooral in de periode tussen de twee wereldoorlogen in Duitsland opgang maakte. Belangrijke vertegenwoordigers waren Wolfgang KŲhhler, Kurt Koffka en Max Wertheimer. Het begrip Gestalt- dat letterlijk gestalte betekent, maar beter vertaald kan worden met samenhangend geheel of totaliteit - duidt op de eigenschappen van complexe gehelen die niet aan de eigenschappen van de afzonderlijke delen kunnen worden toegeschreven. De Gestaltpsychologen kenden aan het bestaan van deze geheel-eigenschappen grote betekenis toe voor bijvoorbeeld de psychologie van het denken en waarnemen. Daarmee verzetten zij zich tegen de toen gangbare opvattingen binnen de psychologie (behaviorisme en associationisme) die op zoek waren naar de kleinst mogelijke mentale elementen of gedragseenheden.
    Terug naar A-B-C index

    Gestalttherapie
    Een vorm van psychotherapie, die in de jaren zestig vooral door de ideeŽn van de van oorsprong Duitse psychiater Frederick S. Perls (1893-1970) in Amerika bekendheid kreeg. De Gestalttherapie is gericht op het herstellen van een evenwicht tussen alle componenten van de persoonlijkheid en op het hervinden van een evenwichtige relatie van de cliŽnt met zijn omgeving. De cliŽnt moet zich daarbij bewust worden van wat hij doet en hoe hij handelt (zelfontdekking), maar de vraag naar het waarom hiervan is minder belangrijk. De Gestalttherapie is daardoor dan ook een op het Ďhier en nuí gerichte therapie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de psychoanalytische therapie, berust zij niet op een samenhangende persoonlijkheidstheorie, maar bevat zij elementen uit aan aantal theorieŽn (o.a. de Gestaltpsychologie en de leertheorie).
    Terug naar A-B-C index

    Gestaltwetten
    Een aantal generalisaties over de wijze waarop bij de menselijke waarneming een aantal losse elementen samengevoegd worden tot een geheel. Het optreden van deze wetten werd aangetoond met behulp van op papier getekende figuren.

    1. De wet van nabijheid stelt dat elementen die dicht bij elkaar liggen, worden waargenomen als bij elkaar horend.

    2. De wet van goede voortzetting stelt dat als het mogelijk is een organiserend principe, zoals bijvoorbeeld bewegingsrichting, wordt gezocht achter de elementen.

    3. De wet van gelijkheid stelt dat bij het voorkomen van twee soorten elementen, de elementen worden opgedeeld in twee afzonderlijke samenhangende gehelen. Hierdoor kan het lijken alsof de ene groep elementen zich op de voorgrond bevindt en de andere op de achtergrond.

    4. De wet van geslotenheid beschrijft de neiging om ťťn geheel waar te nemen, in plaats van afzonderlijke elementen. Als bijvoorbeeld vier losse, rechte hoeken in de juiste verhouding tot elkaar worden getekend, wordt dit waargenomen als ťťn vierkant en niet als vier rechthoeken.

    5. De wet van pregnantie (Pršgnanz) ten slotte stelt dat de waarneming er op is gericht te zoeken naar een combinatie van eenvoud en essentie. Een onregelmatig getekend rondje lijkt daardoor toch een cirkel. De Gestaltwetten zijn overigens niet absoluut, omdat de waarneming ook sterk beÔnvloed wordt door de context.

    Terug naar A-B-C index

    Gevoel

    1. Het vermogen om prikkels waar te nemen, hetzij uit het eigen lichaam, hetzij uit de buitenwereld. De prikkels worden opgevangen door speciale orgaantjes (receptoren) van waaruit een elektrisch signaal langs de zenuwvezels naar het centraal zenuwstelsel wordt vervoerd. Hier kunnen de prikkels tot het bewustzijn doordringen en al dan niet tot een reactie leiden. (De waarneming van andere prikkels, zoals de registratie van de bloeddruk, speelt zich buiten het bewustzijn af. Dit is het terrein van het autonome zenuwstelsel.)

    2. Gemoedsbeweging (emotie of stemming).

    3. Ten slotte kan gevoel ook betrekking hebben op het weten buiten verstandsoverwegingen om: ĎMijn gevoel zegt mij dat hier iets niet klopt, maar ik kan er geen redenen voor noemení.

    Terug naar A-B-C index

    Histrionische persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel de theatrale persoonlijkheidsstoornis genoemd
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door overdreven dramatisch gedrag. De persoon heeft wisselende stemmingen, maakt gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht te trekken, is ongepast verleidelijk en trekt graag de aandacht. In de directe omgeving wekt dit gedrag vaak veel irritatie, omdat het een onwaarachtige indruk maakt. De theatrale persoonlijkheid voelt deze afwijzing en neemt vaak zijn toevlucht tot nog dramatischer gedrag, wat echter alleen maar meer irritatie oproept.

    Deze stoornis heeft een aantal overeenkomsten met de borderline persoonlijkheidsstoornis. Personen met een histrionische persoonlijkheidsstoornis kunnen namelijk ook zeer heftig reageren op bepaalde (zelfs onbelangrijke) dingen; van heel vrolijk tot bijna hysterisch.

    Symptomen van de Histrionische persoonlijkheidsstoornis

    • het voortdurend zoeken naar geruststelling of goedkeuring

    • Overdreven dramatisch en overdreven expressie van emoties

    • Overdreven gevoelig voor kritiek of afkeuring

    • Ongepast verleidelijk voorkomen of gedrag

    • Overdreven bezorgdheid over fysisch voorkomen

    • Behoefte om in het middelpunt van de belangstelling te staan(egocentrisme)

    • Lage tolerantie voor frustratie of uitgestelde beloning/voldoening

    • Snel wisselende gemoedstoestand, die op anderen oppervlakkig kan overkomen

    • Opvattingen worden gemakkelijk beÔnvloed door andere mensen, maar kunnen niet met details onderlegd worden.

    • Neiging om relaties intiemer te zien dan ze in werkelijkheid zijn.

    • Treft snelle beslissingen

    • Dreigen met zelfmoord of pogingen tot zelfmoord om aandacht te krijgen

    Kenmerken van de Histrionische persoonlijkheidsstoornis

    • De histrionische persoonlijkheidstoornis word gekenmerkt door een patroon van overdreven emoties en het opeisen van aandacht, met inbegrip van overdreven behoefte aan goedkeuring, evenals ongepast verleidelijk gedrag, dat gewoonlijk in de jonge volwassenheid begint.

    • Het essentiŽle kenmerk van de histrionische persoonlijkheidstoornis is een diep, overdreven patroon van emotionaliteit en aandacht opeisend gedrag. Personen met de stoornis zijn levendig, dramatisch, enthousiast en geneigd tot flirten.

    • Ze kunnen ongepast seksueel uitdagend zijn, sterke emoties op impressionistische wijze tot uitdrukking brengen, en ze laten zich gemakkelijk door anderen beÔnvloeden.

    De literatuur maakt een onderscheid tussen de geslachten.
    Vrouwen

    • Vrouwen met de histrionische persoonlijkheidstoornis worden beschreven als egocentrisch, genotzuchtig, en zeer afhankelijk van anderen. Ze zijn emotioneel labiel en klampen zich in hun onvolwassen relaties aan anderen vast. Vrouwen met de stoornis identificeren zich te sterk met anderen; ze projecteren hun eigen onrealistische, gefantaseerde intenties op mensen met wie ze te maken hebben.

    • Ze zijn emotioneel oppervlakkig en hebben problemen om zichzelf of anderen met enige diepgang te begrijpen. De keuze van huwbare of seksuele partners is vaak ongepast. De pathologie neemt toe met de mate van intimiteit in relaties.

    • Vrouwen met de stoornis kunnen ongepaste en intense boosheid uiten. Ze kunnen - als ťťn aspect van algemeen manipulatief interactief gedrag - op manipulatieve zelfmoorddreigingen terugvallen.

    Mannen

    • Mannen met de histrionische persoonlijkheidstoornis vertonen gewoonlijk identiteitsdiffusie, verstoorde relaties en impulsief gedrag. Ze hebben anti-sociale neigingen en zijn geneigd tot het exploiteren van fysische symptomen. Ze zijn emotioneel onvolwassen, dramatisch en oppervlakkig.

    Zowel mannen als vrouwen met de stoornis vertonen ongeremd gedrag. Mensen met de stoornis zijn gewoonlijk in staat om zowel sociaal als op hun werk op hoog niveau te presteren.

    Andere gegevens

    • De histrionische persoonlijkheidstoornis kan echter invloed hebben op sociale- of liefdesrelaties, en op het vermogen om verliezen of mislukkingen te aanvaarden. Mensen met deze stoornis zouden behandeling voor depressie kunnen zoeken wanneer hun liefdesrelaties eindigen, hoewel dat geenszins een typisch kenmerk van de stoornis is. Ze zijn vaak niet in staat om hun eigen situatie realistisch te zien en hebben neiging tot dramatiseren en overdrijven.

    • De verantwoordelijkheid voor mislukkingen of teleurstellingen wordt gewoonlijk op anderen afgeschoven. Ze kunnen vaak van werk veranderen, omdat ze gemakkelijk verveeld raken en moeilijk frustraties aankunnen. Doordat ze naar nieuwigheden en opwinding verlangen, zouden ze in riskante situaties kunnen terechtkomen. Al die factoren kunnen tot een grotere kwetsbaarheid voor depressies leiden.

    Oorzaken
    De oorzaak van de stoornis is niet bekend, maar het kan zowel erfelijk als door gebeurtenissen in de jeugd bepaald zijn. Het kom vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De histrionische persoonlijkheidstoornis wordt verhoudingsgewijs minder bij mannen dan bij vrouwen vastgesteld. Mannen met gelijkaardige symptomen worden meestal met de anti-sociale persoonlijkheidstoornis gediagnosticeerd. Er is weinig onderzoek verricht naar de biologische oorzaken van deze stoornis. Psychoanalytische theorieŽn schrijven het aan een verleidelijke of autoritaire houding van de vaders van deze patiŽnten toe.
    Terug naar A-B-C index

    Hypnose
    Een toestand die opgewekt kan worden door een hypnotiseur.
    De persoon gehoorzaamt passief aan de opdrachten van de hypnotiseur, maar doet geen dingen die tegen zijn eigen wil ingaan. De controle van de hypnotiseur is dus beperkt.
    Voorbeelden van gedrag onder hypnose zijn: het vergeten van dingen die men van tevoren nog wel wist; het waarnemen van zaken die in werkelijkheid niet aanwezig zijn, en omgekeerd; het ongevoelig zijn voor pijn en pijn voelen zonder dat daar een lichamelijke oorzaak van is; en het niet meer kunnen beheersen van spieren die men anders wel onder controle heeft.
    Onder hypnose zijn mensen zeer gevoelig voor suggestie en daardoor is het mogelijk hen op een totaal andere manier naar herinneringen te laten kijken. Een hypnotiseur beschikt niet over bijzondere gaven, maar maakt gebruik van technieken die iedereen zich in principe eigen kan maken.
    Terug naar A-B-C index

    Hypnose-theorieŽn
    Verklaringen die ten grondslag liggen aan het verschijnsel hypnose. Enkele van deze theorieŽn zijn:

    1. De in Frankrijk werkende Oostenrijkse arts Franz Anton Mesmer (1734-1815) veronderstelde dat hypnotische verschijnselen tot stand kwamen door magnetische verschijnselen. Deze opvatting wordt het mesmerisme genoemd.

    2. De zgn. suggestionalisten, zoals A.A. Liťťbeault (1823-1904) en Hippolyte Bernheim (1837-1919), rekenden af met het mesmerisme. Zij stelden dat een patiŽnt tijdens hypnose vooral extra beÔnvloedbaar is.
    3. De Franse psychiater Pierre Janet (1859-1947) dacht dat hypnose veroorzaakt werd door een afwijking in het zenuwstelsel. Hij baseerde dit op het ervaringsfeit dat bepaalde symptomen van psychische ziekten tijdens de hypnose kunstmatig opgewekt kunnen worden.

    4. Hypnose als een aparte vorm van slaap (het woord hypnose is afgeleid van het Griekse hypnos, dat slaap betekent). Ivan Pavlov nam aan dat het wakende bewustzijn tijdens de hypnose voor het grootste deel wegvalt en dat daardoor een sterke reactie op een geringe stimulus kan volgen, terwijl sterke prikkels genegeerd worden. Uit onderzoek blijkt dat de met behulp van een electro-encefalogram geregistreerde hersengolven tijdens hypnose op geen van de slaapstadia lijken.

    5. Clark L. Huil (1884-1952) ontwikkelde een theorie over hypnose vanuit het ideomotorische principe. Dit betekent dat het in gedachten uitvoeren van een beweging al leidt tot een meetbare spierreactie. Tijdens de hypnose is deze reactie versterkt. Hypnose verschilt volgens Huil alleen kwantitatief en niet kwalitatief van andere bewustzijnstoestanden.

    6. De geconditioneerde theorie van L. Welch is aan het behaviorisme ontleend. De woorden die de hypnotiseur uitspreekt om de hypnose tot stand te brengen, zijn in het dagelijks leven verbonden met bepaalde gevoelens en bijbehorende gedragspatronen. De uitspraak: 'Ik ben slaperig', gaat bijvoorbeeld vrijwel altijd gepaard met een slaperig gevoel. Hieruit is een conditionering ontstaan. Het gevoel en de uitspraak zijn gekoppeld. De uitspraken van de hypnotiseur roepen op deze manier het hieraan vastgekoppelde gevoel op.

    7. Binnen de moderne psychoanalyse gaat men ervan uit dat het ego zijn besturende functie tijdelijk afstaat aan een externe autoriteit. Het ego blijft echter waakzaam op de achtergrond en geeft de besturing alleen uit handen, zolang dit geen onaanvaardbare consequenties heeft.

    8. De neo-dissociatietheorie van E.R. Hilgard gaat ervan uit dat de hiŽrarchie van mentale systemen tijdens de hypnose doorbroken wordt.

    9. E. Fromm stelt dat hypnose een bijzondere bewustzijnstoestand is, die tussen normaal waken en hallucineren in ligt. Tijdens de hypnose valt het kritische en doelgerichte denken grotendeels weg en daardoor staat de persoon meer open voor andere ervaringen.

    10. Er zijn ook theoretici (o.a. T.X. Barber) die meer de nadruk leggen op de sociale omstandigheden waarin de hypnose voorkomt. De hypnotiseur en de proefpersoon spelen als het ware een rollenspel en hoe meer zij zich hiervoor inspannen en hoe sterker hun geloof in de situatie is, des te groter is de kans dat er daadwerkelijk zoiets als hypnose tot stand komt.

    11. De ultradiane theorie van E.L. Rossi stelt dat de proefpersoon tijdens hypnose vervalt in een normale rustfase van een biologische cyclus, die ongeveer negentig minuten duurt. Hierbij zouden met name de rechterhersenhelft en het parasympathisch zenuwstelsel actief zijn.

    Terug naar A-B-C index

    Hypnose-inductie
    Het tot stand brengen van hypnose.
    De verschillende inductiemethoden vertonen vrijwel allemaal de volgende kenmerken:

    1. De hypnotiseur vraagt of men zich een aantal dingen wil voorstellen. De toon waarop hij dit doet, kan verschillen van gebiedend tot vriendelijk vragend.

    2. De hypnotiseur kondigt gedrag aan dat zich bij de proefpersoon in feite spontaan voltrekt. De hypnotiseur zegt bijvoorbeeld: 'U blijft naar uw handen kijken en uw ogen gaan tranen.' Dit gebeurt dan ook, hoewel het tranen van de ogen het gevolg is van het staren en niet een willige reactie op de suggestie van de hypnotiseur. Wel krijgt de volgende opdracht hierdoor meer kans van slagen. De proefpersoon heeft nu meer vertrouwen in de voorspelling.

    3. De hypnotiseur maakt de inhoud van zijn woorden extra suggestief door beeldende taal te gebruiken: 'Er zit lijm tussen uw handpalmen. Ze kunnen niet meer van elkaar.'

    4. Suggesties van de hypnotiseur mogen maar voor ťťn uitleg vatbaar zijn. Hij zegt niet: 'Uw hand gaat omhoog', maar 'Uw rechterhand gaat omhoog', zodat ieder misverstand is uitgesloten. Eventuele onzekerheid van de proefpersoon zou hem van de opdracht afleiden.

    5. De opeenvolging van opdrachten gaat van makkelijk naar moeilijk. Ook daardoor kan de proefpersoon het vertrouwen krijgen dat gebeurt wat de hypnotiseur zegt. De hypnose wordt daardoor dieper.

    Terug naar A-B-C index

    Hypnose-deductie
    Het ongedaan maken van een hypnotische toestand. De tijdens de hypnose gegeven opdrachten moeten altijd worden 'uitgeveegd'. Dit wil zeggen dat na de suggestie: 'U kunt uw ogen niet meer openen', de tegensuggestie moet volgen: 'U kunt uw ogen weer gewoon openen'.
    In weerwil van de vele verhalen over personen die nooit meer goed zijn wakker geworden uit een hypnose, blijken de meeste mensen ook zonder de uitdrukkelijke instructie van een hypnotiseur zich los te kunnen maken uit de hypnose.
    Terug naar A-B-C index

    Hypnotherapie
    Iedere vorm van psychotherapie waarbij gebruik gemaakt wordt van hypnose.

    1. Eťn van de eersten die zich hiermee bezig hield was Sigmund Freud. Hij liet zijn patiŽnten onder hypnose belangrijke persoonlijke gebeurtenissen opnieuw beleven. De ontlading van emoties waarmee dit gepaard ging, bleek een heilzaam effect te hebben. Deze vorm van therapie wordt ook wel hypno-analyse genoemd en wordt nog steeds toegepast. Freud zelf verliet deze methode echter vrij snel, omdat hij dacht dat vrije associatie en droomanalyse betere therapeutische mogelijkheden zouden hebben.

    2. Een tweede vorm is meer gericht op het heden en de toekomst. Het blijkt bijvoorbeeld mogelijk om bepaalde symptomen met hypnose te bestrijden. Wanneer een patiŽnt bijvoorbeeld klaagt over pijnen waarvoor geen lichamelijke oorzaak bestaat, dan kan onder hypnose gesuggereerd worden dat alles wel in orde is.

    Terug naar A-B-C index

    Hypnotica
    Geneesmiddelen die ervoor zorgen dat de persoon gemakkelijker inslaapt, langer doorslaapt of minder vaak wakker wordt tijdens de slaapperioden. Een ideaal slaapmiddel heeft al deze effecten, zonder dat de natuurlijke slaap veranderd wordt en zonder dat bijwerkingen optreden. Zulk een ideaal slaapmiddel blijkt echter niet te bestaan. Vandaar dat verandering van slaapgewoonten in de regel de voorkeur krijgt boven medicatie. Het langdurig gebruik van hypnotica is af te raden. Er kan afhankelijkheid ontstaan en bovendien treedt gewenning op, zodat de werking op den duur minder wordt. De hypnotica zijn in verschillende groepen te verdelen. De belangrijkste daarvan zijn:

    1. De barbituraten, die een algemeen remmende werking op het zenuwstelsel hebben en daarom als slaapmiddel af te raden zijn. Ze leiden tot sufheid.

    2. De benzodiazepinen zijn wat dit betreft wat gunstiger, maar ook deze middelen beÔnvloeden het natuurlijke verloop van de verschillende slaapstadia.

    3. De niet-benzodiazepinen tenslotte vormen een vrij nieuwe groep slaapmiddelen, met een vergelijkbaar effect als de benzodiazepinen, maar met een geringere uitwerking op de verschillende slaapstadia. Het werkingsmechanisme van deze middelen verloopt net als bij de benzodiazepinen via het stimuleren van de remmende neurotransmitter GABA.

    Terug naar A-B-C index

    Hypochondrie
    Een steeds terugkerende overtuiging dat men getroffen is door een ernstige lichamelijke ziekte, op basis van een verkeerde interpretatie van symptomen.
    Alledaagse kwaaltjes worden daardoor gezien als tekenen van een levensbedreigende ziekte. De persoon is hierbij terneergeslagen en angstig en laat zich niet geruststellen door artsen.
    Terug naar A-B-C index

    Hypofyse
    Ook hersenaanhangsel. Een halve gram wegend aanhangsel van de hypothalamus, dat vanwege zijn enorm belangrijke rol in het menselijk lichaam ook wel de meesterklier genoemd wordt. De hypofyse zit vast aan de hypofysesteel en regelt de uitscheiding van de endocriene of hormoonproducerende klieren in het lichaam. Zij staat op haar beurt weer onder invloed van de hypothalamus. De hypofyse vormt de schakel tussen het centrale zenuwstelsel en het hormoonstelsel. De activiteit van de hypofyse wordt afgeremd door negatieve feedback. Als een klier een hoeveelheid hormoon heeft afgescheiden, stijgt de concentratie in het bloed en dit is voor de hypofyse een teken om de betreffende klier minder te gaan stimuleren.

    De hypofyse is opgebouwd uit drie kwabben:

    1. De hypofyse-achterkwab of neurohypofyse scheidt twee hormonen uit: het antidiuretisch hormoon (vasopressine) en oxytocine. Deze worden gemaakt door gespecialiseerde zenuwcellen in de hypothalamus en via zenuwvezels naar de achterkwab vervoerd, waar ze aan het bloed worden afgegeven.

    2. De hypofysevoorkwab of adenohypofyse produceert hormonen die invloed uitoefenen op de hormoonproducerende klieren elders in het lichaam. Dit zijn de zogenaamde Ďtropeí of stimulerende hormonen: onder andere het thyreoÔdstimulerend hormoon, het adrenocorticotroop hormoon, het follikelstimulerend hormoon, het luteÔniserend hormoon en prolactine. De hypofysevoorkwab scheidt tevens een zelfstandig werkend hormoon uit: het groeihormoon.

    3. Een tussen kwab, waarvan de functie niet geheel duidelijk is.

    Terug naar A-B-C index

    Hypokinesie
    Een abnormale bewegingstraagheid, die zich bijvoorbeeld uit in een verminderde expressiviteit in het gezicht. Daarnaast zwaaien de armen niet mee met het lopen en kunnen er ook grote problemen bestaan met het stoppen of in gang zetten van bewegingen.
    Terug naar A-B-C index

    Hypomanie
    Lichte vorm van manie met een duidelijk verhoogde stemming en drift tot handelen. De persoon heeft minder behoefte aan slaap, is spraakzamer en vrijpostiger dan normaal, en heeft het gevoel dat hij in zijn eentje de wereld aankan. Het concentratievermogen kan verminderd zijn, maar de persoon is niet zo sterk ontregeld dat hij niet meer kan functioneren in zijn werk of in persoonlijke relaties. De euforie maakt soms plaats voor prikkelbaarheid, eigenwaan en onbehouwen gedrag. Vergelijkbare symptomen kunnen ook veroorzaakt worden door een te snelle werking van de schildklier, maar dan wordt niet van hypomanie gesproken.
    Terug naar A-B-C index

    Hypothalamus
    Het regel centrum in het brein dat zorgt voor het handhaven van het interne milieu (homeostase). Dit gebeurt zowel direct als indirect. Direct door de aansturing van het autonome zenuwstelsel en indirect door het organisme te motiveren bepaald gedrag te vertonen, bijvoorbeeld eten als de hypothalamus een hongergevoel veroorzaakt. De hypothalamus ligt aan de voor- en onderzijde van de thalamus, weegt vier gram en neemt minder dan 1 % van het volume van de hersenen in beslag. Een van de taken van de hypothalamus is de besturing van het hormonale systeem. Dit gebeurt op twee manieren. Allereerst wordt het lichaam direct beÔnvloed door het antidiuretisch hormoon (vasopressine) en oxytocine. Deze hormonen worden in de hypothalamus gemaakt en na transport afgegeven in de bloedbaan door de hypofyse-achterkwab. Daarnaast is sprake van een indirecte beÔnvloeding die via de hypofyse loopt. De verbinding tussen de hypofyse en hypothalamus bestaat uit een bloedbaan. De hypothalamus scheidt bepaalde stoffen uit die door het bloed direct naar de hypofyse worden gebracht, waar zij aanleiding geven tot een vergrote of verminderde uitscheiding van hormonen. De hormonen van de hypofyse besturen op hun beurt weer de hormoonafscheiding in andere klieren in het lichaam. Het hormonale systeem wordt dus bestuurd vanuit het centrale zenuwstelsel.

    De hypothalamus speelt daarnaast een hoofdrol bij het reguleren van het autonome zenuwstelsel, zowel bij het sympathische als parasympathische deel. Het draagt bij aan het klaarmaken van het lichaam voor actie en aan het herstel tijdens de rust. De nucleus paraventricularis van de hypothalamus integreert de reacties van het hormonale systeem en het autonome zenuwstelsel. De hypothalamus regelt ook gevoelens van honger, dorst en verzadiging en op die manier de energiehuishouding. Tot slot bevat de hypothalamus de biologische klok via de nucleus suprachiasmaticus.

    De hypothalamus bestaat uit meer dan tien afzonderlijke kernen en heeft nauwe verbindingen met het limbisch systeem en de hersenschors van de grote hersenen.
    Terug naar A-B-C index

    Hypothese
    Een mogelijke verklaring.

    1. Bij experimenten: een voorafgaand aan de proef opgestelde specifieke veronderstelling die daarna aan de hand van de verzamelde experimentele gegevens getoetst kan worden.

    2. In het algemeen: een veronderstelling die wordt gebruikt om een stelling te bewijzen. Deze veronderstelling wordt voor waar gehouden als de hieruit afgeleide stellingen waar zijn gebleken.

    3. In verband met het oplossen van problemen: het achter elkaar uitproberen van verschillende hypotheses. Veronderstel dat Ďdití aan de hand is, dan kan Ďdatí een oplossing zijn. Wanneer deze hypothese niet leidt tot het gewenste resultaat, wordt een andere hypothese uitgeprobeerd.

    Terug naar A-B-C index

    Hysterie
    Een aantal uiteenlopende psychische aandoeningen. De term is afgeleid van het Griekse woord voor baarmoeder.

    1. De Grieken meenden dat bepaalde hysterische verschijnselen samenhingen met abnormale bewegingen van de baarmoeder. Deze gedachtegang heeft lang standgehouden, want nog aan het eind van 19de eeuw werden vrouwen door artsen in de schaamstreek Ďgemasseerdí als vorm van therapie. Het bleek echter dat dezelfde kwaal ook bij mannen voor kon komen.

    2. Later werd de term hysterie gebruikt voor zgn. conversieverschijnselen. Dit zijn lichamelijke symptomen die het gevolg zijn van psychische problemen en waarvoor geen lichamelijke oorzaak gevonden kan worden. Een hysterische verlamming kan bijvoorbeeld de symbolische uitdrukking zijn van een heftig verlangen om door de omgeving geholpen te worden. De patiŽnt lijkt dan, zonder dat hij zich daar zelf bewust van is, te zeggen: ĎZonder jullie hulp kan ik niet verderí.

    3. Het begrip hysterie kan ook gebruikt worden voor stoornissen waarbij dissociatie een opvallend kenmerk is.

    4. Een Ďaanstellerigí karaktertype dat gekenmerkt wordt door een sterke geldingsdrang gecombineerd met een onechtheid in het uiten van gevoelens. Al met al heeft het begrip hysterie een zo onduidelijke betekenis gekregen dat de meeste psychologen en psychiaters het niet meer gebruiken.

    Terug naar A-B-C index

    Impotentie
    1. Problemen met het krijgen of volhouden van een erectie, zodat bevredigende geslachtsgemeenschap niet mogelijk is. De impotentie kan een lichamelijke oorzaak hebben, zoals een onderbreking van de zenuwbanen naar het onderlichaam, een bijwerking zijn van medicatie, maar kan ook een psychische oorsprong hebben. In dit laatste geval spreekt men van een erectiestoornis. Wanneer erecties wel optreden tijdens de slaap of tijdens masturbatie, is een psychische oorzaak het meest waarschijnlijk.

    2. Een onvermogen om de geslachtsgemeenschap als lustvol te beleven.

    Terug naar A-B-C index

    Impulsiviteit
    Een gebrekkige beheersing van emotionele impulsen. Kinderen die hier last van hebben kunnen bijvoorbeeld het antwoord op een vraag eruit flappen, voordat de vraag helemaal duidelijk is. Ook hebben deze kinderen moeite met het wachten op hun beurt tijdens spel of in groepssituaties. Wanneer de impulsiviteit voorkomt in combinatie met een aandachtstekort en hyperactiviteit, is sprake van een aandachtstekort stoornis met hyperactiviteit.
    Terug naar A-B-C index

    Incest
    Bloedschande: het seksueel contact tussen naaste familieleden. De laatste jaren is dit onderwerp sterk in de belangstelling komen te staan en heeft de term een lading gekregen van het seksueel misbruiken van een familielid. Het gaat daarbij met name om meisjes die misbruikt worden door hun vader, oom of broer. Jongens worden minder vaak het slachtoffer. Doordat tegenwoordig veel moeite wordt gedaan om het onderwerp uit de taboesfeer te halen, is gebleken dat incest veel vaker voorkomt dan altijd is aangenomen.
    Terug naar A-B-C index

    Individu
    De mens in zijn meest zelfstandige betekenis, met een eigen, specifieke identiteit, die los staat van zijn sociale omgeving. In het dagelijks en sociologisch spraakgebruik worden individu en samenleving vaak als tegenpolen opgevat, hetgeen niet zelden vergezeld gaat van de opvatting dat een van beiden domineert of zou moeten domineren. Er zijn echter gronden om te stellen dat dit rigide onderscheid vals of althans verwarrend is.
    Terug naar A-B-C index

    Individualisering Het proces waarbij binnen een groep of samenleving de sociale banden losser worden, de sociale controle verzwakt, de mensen meer op zichzelf worden teruggeworpen, met alle voor- en nadelen van dien. Er zijn gronden om te stellen dat de geschiedenis der westerse samenlevingen deels als een veelomvattend proces van individualisering kan worden geduid. Het uiteenvallen van een sociale groep wordt ook wel atomatisering genoemd.
    Terug naar A-B-C index

    Individualiteit
    Het geheel van iemands unieke eigenschappen en persoonlijkheidstrekken. Elke persoonlijkheidstheorie benadrukt de individualiteit als een belangrijk kenmerk, hetzij kwalitatief, hetzij kwantitatief. In de laatste benadering gaat men ervan uit dat men verschillen tussen mensen kan meten (door middel van tests) en dat de individualiteit dan bestaat in een voor de persoon unieke combinatie van testscores op een aantal persoonlijkheidsdimensies.
    Terug naar A-B-C index

    Individuele psychologie
    Ook Individualpsychologie. De benaming die Alfred Adler gebruikte voor zijn eigen opvattingen om de verschillen aan te duiden met de psychoanalyse van Freud. Adler vond dat de mens geen speelbal was van zijn seksuele lusten en hij vond de rol van het onbewuste vrij onbelangrijk. Adler legde de nadruk op de verschillen in de persoonlijkheidsontwikkeling van individuen die tot stand zouden zijn gekomen door de interactie met de sociale omgeving. Met name de plaats in de kinderrij is bij hem van belang. De belangrijkste drijfveer in een mensenleven is volgens Adler het streven naar meerderwaardigheid. Dit betekent bij hem dat de mens probeert zijn minderwaardigheidsgevoelens te overwinnen door te streven zichzelf te vormen naar een eigen zelfideaal. Het streven naar meerderwaardigheid heeft daardoor bij Adler geen negatieve bijklank en het lijkt erg veel op wat Jung Ďindividuatieí en anderen Ďzelfactualisatieí noemen.
    Terug naar A-B-C index

    Individuatie
    Het streven naar het volledig uitkristalliseren van het eigen ik. Alle mogelijkheden en talenten worden optimaal ontplooid en de verschillende aspecten van de persoonlijkheid leven met elkaar in harmonie. De term wordt gebruikt binnen de analytische psychologie van Carl Gustav Jung.
    Terug naar A-B-C index

    Inductie
    De redenering van het bijzondere geval naar de algemene toestand. Bijvoorbeeld: Vlerk is een hond. Vlerk heeft vier poten. Dus: honden hebben vier poten. Deze redeneerwijze is tegengesteld aan deductie. Bij het trekken van een steekproef wordt ook inductief gewerkt. Aan de hand van de steekproef worden conclusies getrokken met betrekking tot de gehele populatie.
    Terug naar A-B-C index

    Jaloezie
    Het verlangen naar bezit, eigenschappen, enz. van een ander. In gematigde vorm komt dit bij ieder mens wel eens voor. Van een pathologische jaloezie (Othello-syndroom) kan gesproken worden indien de jaloezie gericht is op een (vermeende) relatie van de partner met een derde en wanneer deze jaloezie een obsessie wordt. Deze toestand kan leiden tot hevige agressie en uiteindelijk tot een poging een uitweg te vinden in het vermoorden van de partner en/of zelfmoord. Jaloezie is een basisbegrip in de psychologie van Sigmund Freud. Hij acht de emotionele conflicten in de oedipale of fallische fase, waarbij het kind de ouder van het andere geslacht voor zichzelf opeist, bepalend voor de latere persoonlijkheid.
    Terug naar A-B-C index

    Jargon

    1. Een manier van spreken die zonder betekenis lijkt te zijn. Dit komt voor bij afasie van Wernicke. De spraak is vloeiend, en ook de zinsmelodie is in orde, maar het is toehoorders een raadsel waar de persoon het over heeft.

    2. Vaktaal die door een kleine groep gebruikt wordt.

    Terug naar A-B-C index

    Jeugdherinneringen
    Herinneringen aan de eigen jeugd. Deze zijn in de regel zeer fragmentarisch en vaak verbonden aan emotionele gebeurtenissen. Personen die onder hypnose gebracht zijn, lijken zich gebeurtenissen uit de vroegste jeugd te kunnen herinneren. De juistheid van deze herinneringen is vaak moeilijk te achterhalen, mede omdat de hypnose de motivatie om het onderzoek te doen slagen verhoogt, zodat de persoon onbewust de gaten in zijn herinnering gaat opvullen. Hij geeft bijvoorbeeld een gedetailleerd verslag van ťťn verjaardag, dat samengesteld is uit fragmenten van herinneringen aan verschillende verjaardagen. Een ander probleem is dat de eigen herinneringen en de informatie die via anderen over dezelfde gebeurtenis is verkregen, door de persoon niet meer zijn te scheiden.
    Terug naar A-B-C index

    Jeugdpsychologie
    Een aanduiding voor het deel van de ontwikkelingspsychologie dat zich vooral bezighoudt met jeugd tussen de twaalf en twintig jaar.
    Terug naar A-B-C index

    Jung, Carl Gustav
    (1875-1961) Zwitsers psychiater, een der grondleggers van de dieptepsychologie. Jung studeerde medicijnen en werkte nauw samen met Freud, met wie het in 1912 tot een breuk kwam wegens uiteenlopende opvattingen. Jung stelde dat het bewustzijn is voortgekomen uit de rijke voedingsbodem van het onbewuste. Naast het persoonlijk onbewuste onderscheidde hij een collectief onbewuste. Het libido, bij Freud seksuele drift, vatte hij op als algemene levenskracht. Jung was de intellectuele vader van de analytische psychologie. Hij had een sterk religieuze inslag.
    Terug naar A-B-C index

    Klinisch psycholoog
    Een specialist die na een universitaire opleiding een vijfjarige opleiding heeft gevolgd. De klinisch psycholoog is in staat diagnoses te stellen, heeft een opleiding tot psychotherapeut en beheerst ook andere behandelmethoden, zoals vaardigheidstraining, advisering en begeleiding.
    Terug naar A-B-C index

    Klinische psychologie
    Tak van de psychologie die zich bezighoudt met afwijkend gedrag dat - hetzij door de persoon zelf, hetzij door zijn omgeving als ongewenst wordt beschouwd. De term klinisch geeft aan dat klinisch psychologen vaak werkzaam zijn in een (psychiatrische) kliniek. Zij geven een groot aantal uiteenlopende vormen van psychotherapie en kunnen zich ook bezighouden met onderzoek of preventie.
    Terug naar A-B-C index

    Korte-termijngeheugen
    Ook primair geheugen. Dat deel van het geheugen dat informatie korte tijd vasthoud en dat een beperkte capaciteit heeft. Het kan zeven - plus of min twee - informatie-eenheden bevatten. Wanneer iemand bijvoorbeeld net een telefoonnummer heeft opgezocht en onderweg naar de telefoon wordt aangesproken, dan zal hij zich het nummer daarna waarschijnlijk niet meer kunnen herinneren. De cijfers zijn alweer uit het korte-termijngeheugen verdwenen Dingen die langer in het geheugen bewaart moeten worden, komen in het lange-termijngeheugen terecht. De capaciteit van het korte-termijngeheugen kan vergroot worden door de informatie-eenheden groter te maken (chunking). Het brein bevat waarschijnlijk niet een algemeen korte-termijngeheugen, maar heeft gespecialiseerde onderdelen, bijvoorbeeld voor het vasthouden van betekenissen of klanken.
    Terug naar A-B-C index

    Lange-termijngeheugen
    Ook secundair geheugen. Het deel van het geheugen waarin informatie voor langere tijd bewaard kan worden. Dit kan zelfs een leven lang zijn. Het lange-termijngeheugen heeft een onbegrensde opslagcapaciteit en is nooit vol. Het kan op verschillende manieren ingedeeld worden. Men onderscheidt bijvoorbeeld het episodisch en semantisch geheugen en het expliciete en impliciete geheugen.

    Het is overigens een simplificatie om te spreken van ťťn lange-termijngeheugen. Er zijn aanwijzingen dat verschillende brokken informatie op kwalitatief verschillende manieren in het geheugen vastgelegd worden. In het algemeen is het zo dat hoe meer bepaalde indrukken verwerkt zijn, hoe beter zij in het geheugen verankerd liggen. Het verwerken van de informatie zorgt ervoor dat zij meer aanknopingspunten met andere informatie krijgt en daardoor wordt zij beter toegankelijk en minder gemakkelijk gewist.

    Zie ook: geheugen, episodisch en semantisch; geheugen, impliciet en expliciet
    Terug naar A-B-C index

    Latentieperiode
    Volgens psychoanalytici een fase in de psychoseksuele ontwikkeling die volgt op de oedipale fase. Dit stadium duurt ongeveer van het zevende tot en met het twaalfde levensjaar. De seksuele activiteit in deze periode is minder sterk dan in de voorafgaande perioden. Volgens Sigmund Freud komt dat, doordat de seksuele energie voor andere levensdoelen wordt aangewend. Anderen menen dat de seksuele energie in deze periode gewoon minder groot is. Een nieuwere theorie stelt dat het kind op deze leeftijd de seksuele impulsen goed kan beheersen.
    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Libido

    1. Ook driftenergie. Het hele complex van verlangens en gevoelens dat samenhangt met seksualiteit en erotiek. Sigmund Freud omschreef het libido als een van de fundamentele drijfveren van de mens. Het libido komt voort uit het 'id' en levert de brandstof die de menselijke geest voortstuwt. Hierbij treedt het seksuele karakter van het libido meer of minder op de voorgrond. Freud ging ervan uit dat seksualiteit en erotiek niet pas hun intrede doen omstreeks de puberteit, maar dat zich al vanaf de geboorte gedragingen en verlangens voordoen die een libidineus karakter hebben. De volwassen seksualiteit wordt vooraf gegaan door verschillende stadia van kinderlijke of infantiele seksualiteit. Deze psychoanalytische ontwikkelingsstadia zijn:
      orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.
      Elke fase wordt gekenmerkt door een andere libido-organisatie.

    2. Buiten de psychoanalyse wordt libido gebruikt voor
      a) seksuele lust en
      b) algemene psychische energie of levenslust.

    Terug naar A-B-C index

    Libidoverlies
    Verlies van het verlangen naar seks. Het kan een tijdelijk verschijnsel zijn, maar ook blijvend. Oorzaken zijn meestal moeilijk te achterhalen. Angst voor seks, vrees voor intimiteit, stress, depressie en afkeer van de partner kunnen eraan ten grondslag liggen. Ook is het mogelijk dat het libidoverlies wordt veroorzaakt door een stoornis in het hormoonsysteem, medicatie of de hersenwerking.
    Terug naar A-B-C index

    Libido sexualis
    Ook geslachtsdrift. Drijfveer tot seksueel gedrag. Het begrip geslachtsdrift wordt veel gebruikt in biologische en psychologische theorieŽn waarin seksualiteit beschouwd wordt als een door een instinct bepaald gedragspatroon, te vergelijken met eten en drinken. Geslachtsdrift wordt dan opgevat als een primaire drijfveer, die weinig door prikkels van buitenaf wordt beÔnvloed. Tegenwoordig is deze opvatting - althans voor de menselijke seksualiteit- grotendeels verlaten. Zie ook: libido
    Terug naar A-B-C index

    Manie

    1. Een gevaarlijke periode met een versterkte aandrift, die kan leiden tot een zorgeloze euforie, maar ook tot onbeheersbare rusteloosheid en achterdochtigheid. Vaak overheersen in het begin van een manische episode de extra energie, de grotere doelgerichtheid en het zelfvertrouwen. De persoon heeft een overdreven hoge eigendunk, weinig behoefte aan slaap en een sterke spreekdwang. De opgetogenheid past niet bij de omstandigheden en de persoon kan onpraktische plannen maken, roekeloos met geld smijten of zich storten in een reeks liefdesavonturen. Het concentratievermogen is vaak gebrekkig en gedachten springen van de hak op de tak. Daarna worden de symptomen duidelijker psychiatrisch van aard, omdat het oordeelsvermogen ernstig verstoord raakt. De betrokkene kan levensgevaarlijke keuzes maken en het eigen welbevinden op het spel zetten. In ernstige gevallen kan de manie gepaard gaan met psychotische symptomen, zodat de waarneming van de eigen persoon en de omgeving verstoord is. De persoon kan bijvoorbeeld het idee hebben dat hij God is, maar kan ook lijden aan achtervolgingswanen. De sterke neiging tot handelen kan bovendien tot gevolg hebben dat de persoon zijn lichamelijke behoeften op een gevaarlijke manier verwaarloost. Lithium is het meest gebruikte medicijn tegen manische episoden.

    2. in het dagelijks spraakgebruik heeft een manie de betekenis van een overdreven enthousiasme voor een bepaald onderwerp, maar dit wordt niet als ziekelijk beschouwd.


    Zie ook: bipolaire stoornis; hypomanie
    Terug naar A-B-C index

    Masochisme
    Het beleven van (seksueel) genot aan onderwerping of kleinering, waarbij het de 'masochist(e)' erom gaat de partner te verleiden/manipuleren, hem/haar te domineren, kwellen of vernederen. Een middel hiertoe is het toebrengen van pijn. (Wanneer iemand geen behoefte heeft gedomineerd te worden, maar wel opgewonden raakt door pijn, noemt men dit algolagnie.)
    Als er door deze parafilie grote problemen ontstaan tussen de masochist en de omgeving, kan er sprake zijn van een psychische aandoening.
    Terug naar A-B-C index

    Misbruik van een middel
    Een schadelijk patroon van gebruik van drugs of alcohol of van beide, zonder dat er sprake is van 'afhankelijkheid'.
    Terug naar A-B-C index

    Narcisme
    Eigenliefde; vaak ook erotische eigenliefde. De term is afgeleid van de Griekse mythologische figuur Narcissus, die in het water zijn eigen spiegelbeeld bewonderde. In de psychoanalytische theorie geldt narcisme als een normale fase in de psychoseksuele ontwikkeling van het kind in de eerste levensmaanden (de zgn. ik-bezetting). Hoewel op latere leeftijd de libido meestal en vooral op objecten buiten het individu gericht is (de zgn. objectbezetting), is een zekere mate van narcisme volgens Sigmund Freud ook dan nog normaal. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen primair narcisme, dat voorkomt in de eerste levensmaanden, en secundair narcisme, waarbij sprake is van een terugval in het narcisme.
    Terug naar A-B-C index

    Narcisme, fallisch
    Fallisch narcisme is een overdreven vorm van zelfvertrouwen die voortkomt uit een enorme overschatting van de eigen penis. Dit komt volgens psychoanalytici voor bij kleine jongetjes die net hebben ontdekt dat zij wel en meisjes geen penis hebben. Zij gaan daardoor bijvoorbeeld met geweren spelen. Dit wordt gezien als een symbolische verheerlijking van het eigen geslachtsorgaan. Het fallisch narcisme is een soort overschreeuwen van de castratieangst en kan het hele leven blijven bestaan. De persoon heeft dan een fallisch karakter.
    Terug naar A-B-C index

    Narcistische libido ook wel object-libido
    Term van Sigmund Freud voor dat gedeelte van het geheel van seksuele en erotische verlangens (libido) dat op anderen gericht is. Deze anderen zijn het object van de libido. Het deel van de libido dat niet op anderen maar op de eigen persoon is gericht, wordt de narcistische libido genoemd.
    Terug naar A-B-C index

    Narcistische persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door een opgeblazen gevoel van eigenwaarde en de behoefte aan bewondering. De persoon kan bijvoorbeeld helemaal in beslag genomen worden door vermeende successen, macht, schoonheid en genialiteit. Andere personen zijn er voor de mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis vooral om de eigen grootheid beter te laten uitkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Neobehaviorisme
    (Letterlijk: nieuw behaviorisme) Een uit het behaviorisme voortgekomen stroming die er voor kiest om meer te bestuderen dan de relaties tussen stimulus en respons. Ook de eigenschappen van het organisme zelf worden van belang geacht. Er wordt met andere woorden uitgegaan van een Stimulus-Organisme-Responsmodel (S-O-R model) in plaats van het Stimulus-Responsmodel (S-R model) dat de behavioristen van het eerste uur hanteerden. De nadruk blijft wel liggen op observeerbaar gedrag. Eťn van de belangrijkste theoretici uit deze richting was E.C. Tolman (1886-1959).
    Terug naar A-B-C index

    Neocortex
    hersenschors van de grote hersenen
    Terug naar A-B-C index

    Neologisme
    Een niet bestaand woord dat door de spreker zelf gevormd is. De toehoorder weet niet wat met dit woord bedoeld wordt. Het taalgebruik kan onbegrijpelijk worden door het gebruik van veel neologismen, wat voor kan komen bij schizofrenie en afasie.
    Terug naar A-B-C index

    Nervositeit
    Ook zenuwachtigheid. Een toestand van gejaagdheid, onrust en een vergrote prikkelbaarheid. De neiging sterk emotioneel te reageren heeft te maken met een verhoogde prikkelbaarheid van het autonome zenuwstelsel. In sommige persoonlijkheidstheorieŽn is nervositeit een dimensie of factor, met als tegengestelde pool kalmte en een toestand van ontspanning.
    Terug naar A-B-C index

    Neuraal netwerk
    1) In de neurologie: een netwerk van zenuwcellen. 2) Een met behulp van de computer gemaakte imitatie van een netwerk van zenuwcellen. Het netwerk bestaat uit een reeks processoren (verwerkingseenheden) die in hiŽrarchisch georganiseerde lagen zijn ondergebracht. Deze processoren lijken een beetje op zenuwcellen in die zin, dat zij vele ingangen hebben en slechts ťťn uitgang. De processoren zijn op zich vrij simpel, maar dankzij de structuur van het netwerk kan toch complexe informatie verwerkt worden. Het netwerk is namelijk in staat zelf de gewichten van de onderlinge verbindingen aan te passen. Het leert op deze manier nieuwe dingen. De grootste kracht van de neurale netwerken ligt op het gebied van de patroonherkenning
    Terug naar A-B-C index

    Neurale buis
    De langs de rugzijde van een embryo gelegen buis waaruit zich het centrale zenuwstelsel ontwikkelt. In een vroeg stadium (vierde embryonale week) is het een lange buis, met aan de bovenzijde drie hersenblaasjes. De lange buis ontwikkelt zich tot het ruggenmerg. Het onderste blaasje wordt aangeduid als het rhombencephalon. Dit blaasje deelt zich in het myelencephalon, waaruit uiteindelijk het verlengde merg ontstaat, en het metencephalon (achterhersenen), waaruit de pons en de kleine hersenen ontstaan. Het middelste blaasje wordt aangeduid als het mesencephalon. Hieruit ontstaan de middenhersenen. Het bovenste blaasje is het prosencephalon (voorhersenen). Dit deelt zich in het diencephalon en het telencephalon. Uit het diencephalon (tussenhersenen) ontstaan de thalamus en de hypothalamus, het netvlies en de zenuwvezels die de lichtprikkels naar de hersenschors vervoeren. Het telencephalon (grote hersenen) ontwikkelt zich tot de hersenschors, basale ganglia, hippocampus en amygdala.
    Terug naar A-B-C index

    Neurasthenie
    (Letterlijk: zenuwzwakte) Een stoornis waarbij grote vermoeidheid het meest opvallende symptoom is. Er komen twee hoofdvormen voor, die elkaar voor een belangrijk deel overlappen. Bij de eerste vorm is vooral de geestelijke weerbaarheid verminderd en heeft de persoon moeite om zich te concentreren en taken te volbrengen. Bij de andere vorm ligt de nadruk op gevoelens van lichamelijke uitputting, zelfs na lichte inspanning. Bijkomende klachten kunnen zijn: spierpijn, hoofdpijn, slaapstoornissen, duizeligheid en een onvermogen om zich te ontspannen.
    Terug naar A-B-C index

    Neuro
    Voorvoegsel dat gebruikt wordt om aan te geven dat het over de hersenen, het zenuwstelsel of zenuwcellen gaat.
    Terug naar A-B-C index

    Neuroanatomie
    Bestudering van de bouw van het zenuwstelsel met de nadruk op de verbindingen die gemaakt worden. De manier van communicatie staat centraal.
    Terug naar A-B-C index

    Neuroblast
    Ongedifferentieerde cel in het embryo van dieren en de mens, die later een zenuwcel (neuron) wordt.
    Terug naar A-B-C index

    Neurofeedback
    Het laten zien van hersengolven, zoals die door een elektro-encefalogram geregistreerd worden, teneinde controle te krijgen over de hersengolven. In de jaren zestig is aangetoond dat deze feedback mensen bijvoorbeeld in staat stelt om de hersenen vaker in de alfa-golftoestand te laten verkeren. Dit werd indertijd gezien als een manier om meditatieve ervaringen te bereiken, zonder dat je echt hoefde te leren mediteren. Neurofeedback wordt soms gebruikt om vormen van epilepsie te verzachten die niet op medicijnen reageren. Ook zijn er aanwijzingen dat neurofeedback een middel kan zijn om het brein van kinderen met ADHD als het ware in een hogere versnelling te zetten, zodat zij beter opletten. Bij depressies is neurofeedback een middel om het evenwicht te herstellen tussen de activiteit in de linker en rechter frontaalkwab. Ook bij andere stoornissen wordt neurofeedback wel gebruikt, maar vaak ontbreekt het nog aan solide bewijs voor de werkzaamheid.
    Terug naar A-B-C index

    Neurohormonen
    Hormonen die door zenuwcellen gemaakt worden en in de bloedbaan worden afgescheiden.
    Terug naar A-B-C index

    Neuroleptica
    De eerste generatie antipsychotica, die waarschijnlijk werkt door een bepaald type receptor (2A) voor de neurotransmitter dopamine te blokkeren. Het effect hiervan is tweeledig. In de eerste plaats hebben ze een sterke kalmerende werking, doordat zij emotionele reacties onderdrukken. Angstgevoelens, innerlijke onrust en spanning nemen in intensiteit af, evenals agressieve impulsen. De neuroleptica onderscheiden zich van de gewone kalmerende middelen doordat zij geen slaapverwekkend effect hebben. De patiŽnt wordt lijdzaam, maar verliest niet het bewustzijn, wordt niet suf en heeft ook geen grote concentratieproblemen.

    Een tweede bijzondere eigenschap van de neuroleptica is dat zij psychosen kunnen bestrijden. Dit wil zeggen dat zij helpen tegen typisch psychotische verschijnselen als hallucinaties, wanen en onsamenhangend denken. Het anti-psychotisch effect kan op twee verschillende manieren tot stand komen. Soms kan direct de psychotische gedachtegang worden afgebroken. In andere gevallen blijven de psychotische verschijnselen bestaan, maar doordat de patiŽnt gekalmeerd is en minder emotioneel reageert, wordt de reactie op de psychotische gedachtegang minder sterk.

    De medicijnen kunnen ook een aantal ernstige bijwerkingen hebben. De patiŽnt kan er zo sterk door afgeremd worden dat hij apathisch wordt. Daarnaast hebben de neuroleptica invloed op het motorische systeem van het lichaam. Er kunnen bijvoorbeeld verschijnselen ontstaan die aan de ziekte van Parkinson doen denken.

    De werking van de neuroleptica blijft niet beperkt tot de menselijke psyche, maar heeft ook invloed op het lichaam, met name op het autonome zenuwstelsel. Er ontstaat een lagere bloeddruk, die vaak gepaard gaat met een licht gevoel in het hoofd en hartkloppingen. Ook kunnen een droge mond en obstipatie optreden.
    Terug naar A-B-C index

    NeurolinguÔstisch programmeren
    (NLP) Een van oorsprong psychotherapeutische techniek die tot doel heeft de communicatieve verbeteren. De techniek is ontwikkeld door de Amerikanen Richard Bandier en John Grinder. Bij NLP gaat men ervan uit dat een effectieve communicatie pas mogelijk is wanneer de therapeut 'rapport maakt' met zijn cliŽnt, dat wil zeggen dat hij zich aansluit bij de manier waarop de cliŽnt tegen de wereld aankijkt. Als de cliŽnt bijvoorbeeld visuele beelden gebruikt om gebeurtenissen te beschrijven, zal de therapeut dat ook doen. De bedoeling is dat de cliŽnt op deze manier het idee krijgt dat hij op dezelfde lijn zit als de therapeut. Het vertrouwen in de therapeut zal daardoor groeien en de cliŽnt zal zich openstellen voor de veranderingen die de therapeut voorstelt. De cliŽnt kan daardoor leren de beperkingen te overwinnen die hij zichzelf oplegt. NLP wordt buiten de hulpverlenersituatie ook gebruikt om de communicatie met klanten te verbeteren.
    Terug naar A-B-C index

    Neurologie
    1) Tak van wetenschap die de functie, structuur en ziekten van het zenuwstelsel bestudeert. 2) Het medisch specialisme dat zich bezighoudt met de diagnose en behandeling van ziekten van het zenuwstelsel. Aan het begin van de vorige eeuw werden neurologie en psychiatrie als ťťn vakgebied gezien, omdat men ervan uitging dat alle psychiatrische ziektebeelden op een aantoonbare afwijking in het zenuwstelsel berustten. Daarna is de psychiatrie steeds meer de psychologische kanten van psychiatrische ziektebeelden gaan benadrukken. De laatste jaren is echter weer een tegenbeweging zichtbaar, omdat steeds meer bekend is geworden over de neurologische basis van ernstige psychische stoornissen.
    Terug naar A-B-C index

    Neuroloog
    Medicus die zich gespecialiseerd heeft in de behandeling van ziekten van het zenuwstelsel, zoals multiple sclerose en epilepsie. Psychiatrische aandoeningen, zoals depressies en schizofrenie, vallen buiten zijn vakgebied. Een neuroloog kan zich ook zenuwarts noemen.
    Terug naar A-B-C index

    Neuromodulatie
    Ook modulatie. Het ingrijpen in de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen. Het is mogelijk de prikkelbaarheid van de zenuwcel te verhogen, waardoor impulsen eerder worden overgenomen, of te verlagen, waardoor de prikkeloverdracht minder snel tot stand komt.
    Terug naar A-B-C index

    Neuromodulatoren
    Een niet-klassieke soort neurotransmitters die niet direct zorgdragen voor de prikkeloverdracht. In plaats daarvan hebben zij vooral invloed op de gevoeligheid van zenuwen voor de prikkels van anderen. Deze neurotransmitters komen met name voort uit de lagere hersendelen. Voorbeelden van neuromodulatoren zijn acetylcholine, dopamine, noradrenaline en serotonine.
    Terug naar A-B-C index

    Neuromusculaire synaps
    Contactzone tussen een uitloper van een motorische zenuwcel en een spiervezel. Op deze plaats is de wand van de spiercel (sarcolemma) sterk geplooid en is het zenuwuiteinde vergroot. Uit synaptische blaasjes van het zenuwuiteinde komt bij prikkeling van de zenuw acetylcholine vrij, een neurotransmitter die zich dan in de ruimte (synaptische spleet) tussen zenuwuiteinde en sarcolemma bevindt. Het vrijkomen van acetylcholine zorgt ervoor dat de spiervezel zich samentrekt.
    Terug naar A-B-C index

    Neuropeptiden
    Een verzameling verschillende peptiden (aan elkaar gekoppelde aminozuren), die actief zijn in de hersenen. Zij zijn meestal 3-15 aminozuren lang en kunnen op grond van hun chemische gelijkenis in verschillende families ingedeeld worden, met als bekendste voorbeeld de opiaten. Neuropeptiden worden niet specifiek in een synaps uitgescheiden en hebben daardoor een meer globale werking. Zij worden bovendien niet actief opgeruimd en hechten zich niet snel aan receptoren, zodat hun werking langdurig is. Bovendien leiden zij in de ontvangende cel in de regel tot het vrijkomen van een tweede-boodschapperstof (second messenger) die leidt tot langer durende veranderingen binnen de ontvangende cel. Neuropeptiden kunnen de doelzenuwcellen stimuleren of afremmen, of ze kunnen afhankelijk van het type receptor beide effecten hebben. De neuropeptiden spelen onder andere een belangrijke rol bij de regulering van emoties en pijn. Neuropeptiden worden dikwijls door de zenuwcel tegelijkertijd uitgescheiden met een kleine neurotransmitter, bijvoorbeeld acetylcholine of gamma-aminoboterzuur (GABA). Dergelijke combinaties geven het brein de mogelijkheid om de informatieoverdracht tussen de zenuwcellen te variŽren.

    De neuropeptiden kunnen in de rest van het lichaam actief zijn als hormoon. Zo wordt het antidiuretisch hormoon (ADH) in de hypothalamus aangemaakt, waarna het via de hypofyse aan de bloedbaan wordt afgegeven. Het beÔnvloedt onder andere de bloeddruk en de nierwerking, maar ook leer- en geheugen processen en seksueel gedrag. ADH is opgebouwd uit negen aminozuren.

    Voorbeelden van neuropeptiden die betrokkken zijn bij de pijnwaarneming, zijn de enkefalinen en endorfinen, die een morfineachtige werking hebben. Ze worden ook wel natuurlijke pijnstillers genoemd. Substantie P is een neuropeptide dat de pijnwaarneming juist versterkt.
    Terug naar A-B-C index

    Neuropsychiatrie
    Aanduiding van het vakgebied dat zich bezighoudt met de raakvlakken tussen het functioneren van de hersenen en het ontsporen van de geest. De term wordt op verschillende manieren gebruikt. Neuropsychiatrie kan gebruikt worden om te benadrukken dat psychische stoornissen gepaard gaan met afwijkingen in het brein. Een andere betekenis legt de nadruk op persoonlijkheidsveranderingen die het gevolg zijn van neurologische aandoeningen.
    Terug naar A-B-C index

    Neuropsychologie
    De wetenschap die de samenhang tussen het centraal zenuwstelsel en het menselijk of dierlijk gedrag bestudeert. De hersenen worden daarbij beschouwd als het centrale orgaan dat het gedrag coŲrdineert en reguleert.
    Terug naar A-B-C index

    Neurose
    Een psychische stoornis waar de persoon onder lijdt, maar waarbij het contact met de werkelijkheid in stand is gebleven en waarbij het gedrag niet ingaat tegen sociale regels. De symptomen komen voort uit emotionele problemen en leiden tot allerlei vormen van angst en onbehagen. Een neurose is niet minder ernstig dan een psychose in die zin, dat het lijden van de patiŽnt geringer is. De term is zo algemeen dat in de reguliere wetenschap een neurose niet opgevat wordt als een apart ziektebeeld.
    Terug naar A-B-C index

    Neurosecretie
    1) Vorming en afscheiding van hormonen door zenuwcellen. Het gaat hierom zenuwcellen die elektrische informatie verwerken en die tevens fungeren als kliercellen. Zij Ďvertalení neurale informatie in een hormonale boodschap. Dit geldt in het bijzonder voor de hypofyse, maar ook bepaalde celtypen van de hypothalamus zijn tot neurosecretie in staat. Sommige van deze celtypen maken hormonen aan, die door de bloedbaan naar de hypofyse voorkwab worden gevoerd; andere celtypen produceren hormonen die, na transport door de zenuwvezels, worden afgegeven door de hypofyse achterkwab (antidiuretisch hormoon en oxytocine). 2) Ook de afscheiding van neurotransmitters (stoffen die prikkels van de ene zenuwcel op de andere overdragen) kan men neurosecretie noemen.
    Terug naar A-B-C index

    Neurose, depressieve: zie dysthymie

    Neuroticisme
    Een dimensie in de persoonlijkheid die betrekking heeft op emotionaliteit. Het begrip is afkomstig van de psycholoog Hans JŁrgen Eysenck, die stelde dat mensen die laag of gemiddeld scoren op de neuroticisme dimensie emotioneel stabiel zijn en niet makkelijk van streek raken. Dit betekent niet dat deze personen onemotioneel of ongevoelig zouden zijn, maar dat zij passend kunnen reageren op allerlei verschillende omstandigheden. De personen die hoog scoren op de neuroticisme dimensie zijn emotioneel labiel en bij hen gaan zelfs geringe levensproblemen met grote spanningen gepaard. Zij dreigen ook sneller onder de spanning te 'bezwijken'.
    Terug naar A-B-C index

    Neuroticisme test
    Een test die neuroticisme meet. Een voorbeeld is de Delftse Vragenlijst. Deze test kan groepsgewijs vanaf vijftien jaar worden afgenomen. Ook andere persoonlijkheidstests, zoals de Amsterdamse biografische vragenlijst, meten neuroticisme als ťťn van de vele persoonlijkheidsfactoren.
    Terug naar A-B-C index

    Zie ook: persoonlijkheidsvragenlijst; psychologische test

    Neurotoxicologie
    Het studieterrein dat de schadelijke invloed van chemische stoffen op het zenuwstelsel onderzoekt. Het is een onderzoeksterrein dat voor een groot deel nog ontgonnen moet worden. Geschat wordt dat de mens in contact komt met meer dan 50.000 stoffen, waaronder insecticiden, kleurstoffen, cosmetica en medicijnen. Van een paar honderd van deze stoffen is bekend dat zij schadelijk zijn voor het zenuwstelsel, maar dat betekent niet dat de rest onschadelijk is. Veel zaken zijn eenvoudigweg nog nooit onderzocht. Contact met giftige stoffen kan leiden tot allerhande stoornissen, zoals een achteruitgang in intelligentie, persoonlijkheidsveranderingen, verlammingen en waarnemingsstoornissen. Vergiften voor het zenuwstelsel zijn onder meer MPTP, Lood, oplosmiddelen, arsenicum en alcohol.
    Terug naar A-B-C index

    Neurotransmitter
    Ook genoemd transmitter(stof). Een chemische stof die een rol speelt bij de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen. Er zijn naar schatting meer dan honderd verschillende transmitters. Zij liggen opgeslagen in de uiteinden van de zenuw (axon) in de zogenaamde synaptische blaasjes. Als een impuls bij het uiteinde van het axon aankomt, dan geven de blaasjes hun inhoud af in de synaptische spleet (de ruimte tussen twee zenuwen). Dit veroorzaakt bij de tegenoverliggende zenuw een verandering in de ionendoorlaatbaarheid, wat een prikkelende of een remmende werking op de zenuw heeft. De transmitter heeft dit effect, omdat zij zich kan binden aan specifieke receptoren in de ontvangende zenuwcel. De receptor is vergelijkbaar met een slot waarop alleen een specifieke sleutel past. Of de transmitter een remmende of een stimulerende werking heeft, is feitelijk niet afhankelijk van de transmitter zelf, maar van het type receptor op de ontvangende cel. Na uitscheiding van de neurotransmitter wordt de stof ook weer opgeruimd, omdat alleen op deze manier betekenisvolle prikkeloverdracht mogelijk is.

    Hierboven werd beschreven dat neurotransmitters in een synaps (de contactzone tussen twee zenuwcellen) worden afgegeven. De transmitter kan ook vrijkomen in een gebied waar niet direct andere zenuwuiteinden in de buurt zijn. De werking van de substantie is dan meer diffuus en minder snel, maar heeft wel invloed op een groter gebied. Dit komt voor op verschillende plaatsen in de hersenen en in het autonoom zenuwstelsel.

    De laatste jaren klinkt af en toe protest tegen de term neurotransmitter, omdat die ten onrechte suggereert dat deze stoffen alleen beetrokken zijn bij de prikkeloverdracht. In werkelijkheid zijn de stoffen al actief in het brein, voordat de zenuwcellen onderling synapsen hebben gevormd. De transmitters spelen dan een rol bij de migratie (verplaatsing) van hersencellen tijdens de embryonale ontwikkeling.

    De verwijdering van Neurotransmitters. Nadat neurotransmitters in de synaptische spleet zijn afgegeven, moeten zij daar ook weer snel verwijderd worden, om te voorkomen dat een opeenhoping van deze stoffen ontstaat, waardoor het vrijkomen van neurotransmitter op den duur geen effect meer heeft. Er worden verschillende mechanismen gebruikt voor de verwijdering van de transmitters. In de eerste plaats zijn er specifieke enzymen die de neurotransmitters afbreken. Daarnaast is ook sprake van heropname van de transmitter in de zenuwcel en van diffusie (verdunning).
    Terug naar A-B-C index

    Neurotrofe stoffen

    1. Stoffen die een voedende of ondersteunende functie hebben voor zenuwweefsel. Deze stoffen zijn van groot belang voor de overleving van zenuwcellen. Zij hebben in de ontwikkeling een belangrijke functie bij het in stand houden van de juiste zenuwverbindingen. Als een cel een goed contact heeft gemaakt, zorgt het doelwit voor het uitscheiden van neurotrofe stoffen, zodat de cel blijft voortbestaan.

      Neurotrofe stoffen kennen ook medische toepassingen. Zij lijken gebruikt te kunnen worden bij verwondingen, om het verlies van zenuwcellen te beperken. Ook bij andere aandoeningen zouden ze toegepast kunnen worden, maar deze ontwikkeling bevindt zich nog in de beginfase.

    2. Soms worden stoffen die de celdeling bevorderen, ook aangeduid als neurotrofe stoffen. Deze stoffen zijn echter niet noodzakelijk voor de overleving van zenuwcellen en kunnen ook groeifactoren genoemd worden.

    Terug naar A-B-C index

    Neuro-endocrien systeem
    Een aanduiding voor het deel van het zenuwstelsel dat het hormonale stelsel in het lichaam bestuurt door regulerende hormonen af te scheiden. Het gaat hier om de hypothalamus en de hypofyse.
    Terug naar A-B-C index

    Neuro-endocriene cel
    Zenuwcel die bij stimulatie geen elektrische prikkel op zenuw- of spiercellen overdraagt, maar waaruit neurohormonen vrijkomen, zoals adrenaline. Ze bevinden zich bijvoorbeeld in het bijniermerg, de hypothalamus en bij de sympathische zenuwen.
    Terug naar A-B-C index

    Neutralisering
    1) Een van de afweermechanismen die in de psychoanalytische theorie, met name in de ego-psychologie, onderscheiden worden. Neutralisering is het proces waarbij agressieve driften tijdens de socialisatie hun agressieve en driftmatige karakter verliezen. Daardoor komen zij vrij als neutrale energie voor de ontwikkeling van de functies van het ego. 2) Meer algemeen wordt met neutralisering elk proces aangeduid waarin oorspronkelijk op bevrediging van ťťn behoefte gerichte energie vrijkomt voor bevrediging van andere behoeften.
    Terug naar A-B-C index

    Nociceptie
    Ook pijnwaarneming. De registratie van schadelijke invloeden op het lichaam door gespecialiseerde zintuigen (nociceptoren). De belangrijkste zenuwbanen die hierbij betrokken zijn, lopen door het ruggenmerg naar de thalamus. De nociceptie ligt aan de basis van de pijnbeleving, maar er is geen lineair verband tussen beide grootheden. De beleefde pijn is bijvoorbeeld ook afhankelijk van emotionele factoren. Zo kan angstigheid de pijnervaring verhevigen.
    Terug naar A-B-C index

    Nociceptor
    Een gespecialiseerd zenuwuiteinde voor het waarnemen van pijn. Nociceptoren komen overal in het lichaam voor, behalve in het centrale zenuwstelsel. Er zijn verschillende soorten. Sommige zijn speciaal gevoelig voor mechanische druk of hoge en lage temperaturen, terwijl andere op verschillende soorten prikkels met een hoge intensiteit reageren.
    Terug naar A-B-C index

    Non-verbale leerstoornis
    NLD, afkorting van het Engelse non-verbal learning disabilities. Een sterk onevenwichtige verdeling van verschillende leermogelijkheden van het kind. Informatie die via de oren binnenkomt wordt beter opgenomen en verwerkt dan de prikkels die binnenkomen via de ogen of de tast. De term non-verbaal drukt dit uit, maar is tegelijkertijd verwarrend, omdat bijvoorbeeld het begrijpen van wat het kind leest moeilijk gaat. Kinderen met NLD zijn gericht op details en missen het grotere verband. De problemen uiten zich in de motoriek, het ruimtelijk inzicht, het inzicht in oorzaakrelaties, de schoolse vaardigheden bij rekenen en schrijven, het werktempo en het begrijpen van sociale situaties, vanwege moeite met lichaamstaal. Opvallend is dat kinderen met NLD verbaal sterk zijn, waardoor de omgeving de mogelijkheden van het kind vaak verkeerd inschat. Het kind heeft moeite zich staande te houden, met name in nieuwe situaties. Geschat wordt dat 1 tot 5 procent van de kinderen NLD heeft. De oorzaak is mogelijk een verstoorde samenwerking tussen beide hersenhelften.
    Terug naar A-B-C index

    Non-verbaal
    Zonder woorden. Alle communicatievormen waar geen woorden aan te pas komen. Hieronder valt bijvoorbeeld de lichaamshouding en de gezichtsexpressie, maar ook geluiden, zoals keelschrapen en lachen. Ook de toon waarop dingen gezegd worden en de intonatie behoren tot het non-verbale. En verder wordt de uitstraling (de energetische en emotionele overdracht) van mensen en dieren gerekend tot non-verbale communicatie.
    Terug naar A-B-C index

    Non-verbale intelligentie
    Dat deel van de intelligentie dat niets te maken heeft met de taalvaardigheid. Dit wordt ook wel performale intelligentie genoemd en komt tot uitdrukking bij het uitvoeren van handelingen. Bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht en het geheugen maken onderdeel uit van de non-verbale intelligentie.
    Terug naar A-B-C index

    Noradrenaline
    (NA) Ook norepinefrine. Een stof die gebruikte wordt als hormoon en als neurotransmitter. Als hormoon wordt NA in het bijniermerg geproduceerd en heeft het een vergelijkbare, maar wat zwakkere werking dan adrenaline. Als neurotransmitter is de stof te vinden aan de uiteinden van sympathische zenuwvezels in het perifere zenuwstelsel en in twee zenuwkernen in de hersenstam, de locus coeruleus en de nucleus lateralis tegmentalis. Beide kernen hebben uitlopers naar alle delen van het brein. De stof is niet direct betrokken bij het verwerken van zintuiglijke of motorische gegevens, maar heeft een modulerende invloed op het brein. Hij is betrokken bij uiteenlopende functies zoals het reguleren van bloeddruk, slaap-waakritme, alertheid, angst, pijn, emotionele opwinding en cognitieve processen.

    Medicatie die noradrenaline onderdrukt kan leiden tot depressies; andersom kan een verhoging van het NA-niveau depressies verlichten. NA lijkt ook betrokken bij paniekaanvallen, posttraumatische stressstoornis, schizofrenie, aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) en de ziekte van Parkinson.

    Noradrenaline hecht zich aan de adrenerge receptoren. De Š1-adrenerge receptoren zijn betrokken bij voortbeweging en exploratie gedrag en het klaarmaken van het lichaam voor actie. De Š2-radrenerge receptoren hebben een remmende invloed op andere zenuwcellen, en zijn betrokken bij het vermijden of onderzoeken van nieuwe prikkels, leren en voortbeweging.

    De ‚-adrenerge receptor kent drie subtypes, die betrokken zijn bij het geheugen, moederlijk gedrag, verzorging en de reacties op nieuwe prikkels.
    Terug naar A-B-C index

    Noradrenaline-dopamine-heropnameremmenrs
    Een antidepressivum dat door het remmen van heropname zorgt voor de extra beschikbaarheid van de neurotransmitter noradrenaline in het brein. Dopamine wordt in minder sterke mate verhoogd. De stofnaam is buprorpion (Wellburtrin). Bijwerkingen zijn onder andere prikkelbaarheid, slapeloosheid, angst en in hoge dosering kans op een epileptische aanval.
    Terug naar A-B-C index

    Noradrenerg neuron
    Een zenuwcel die bij prikkeling de transmitterstof noradrenaline afgeeft. Deze zenuwcellen komen voor in het sympathische deel van het perifere zenuwstelsel, dat het lichaam klaarmaakt voor activiteit. Daarnaast bevatten ook twee kernen in de hersenstam noradrenerge neuronen. De locus coeruleus lijkt hiervan de belangrijkste. Deze kern is betrokken bij het reguleren van gevoelsmatige reacties.
    Terug naar A-B-C index

    Norm
    Een morele standaard waaraan gedrag kan worden afgemeten. Aan de grondslag van normen liggen waarden: de meer algemene en vage ideeŽn over wat goed en kwaad is. De norm is de beoordelingsmaatstaf die hiervan is afgeleid.
    Terug naar A-B-C index

    Obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. Een stoornis die gekenmerkt wordt door steeds terugkerende dwanggedachten en dwangbeelden (obsessies) en/of zich herhalend, ritueel gedrag waarvan de persoon het gevoel heeft dat hij daartoe gedwongen wordt (compulsies). De obsessies zijn bijna altijd verontrustend, omdat zij zinloos zijn of een gewelddadig of obsceen karakter hebben. De gedachten komen steeds op hetzelfde onderwerp uit en kunnen niet gekenschetst worden als een overdreven bezorgdheid voor een dagelijks probleem. De persoon probeert zich er dan ook tegen te verzetten, maar het lukt hem niet om de gedachten uit te bannen. De persoon heeft wel in de gaten dat het zijn eigen gedachten zijn. De dwanghandelingen roepen eveneens verzet op, omdat zij niet nuttig zijn voor het individu en omdat zij soms vele uren per dag kosten. Het vaakst hebben de dwanghandelingen betrekking op schoonmaken (talloze malen per dag de handen wassen) of het eindeloos controleren of een gevaarlijke situatie is ontstaan (telkens kijken of de gaskraan wel dicht is). Ook is het mogelijk dat de persoon op deze manier naderend onheil probeert te bezweren. Obsessief-compulsieve stoornissen gaan vaak samen met neerslachtigheid (depressie). Wanneer dit het geval is, is de kans op genezing geringer.

    De verzamelterm dwangfenomeen staat voor verschillende vormen van uit het eigen ik voortgekomen psychische activiteit, waarvan de persoon de indruk heeft dat ze hem is opgelegd en waaraan hij zich niet kan onttrekken. De verschillende dwangfenomenen kunnen gezamenlijk of apart voorkomen.
    Men onderscheidt:

    1. Dwanggedachten en dwangvoorstellingen (obsessies), waarbij iemand zich niet kan losmaken van een bepaalde gedachte of voorstelling. Iemand kan er bijvoorbeeld voortdurend aan moeten denken dat zijn kinderen een ongeluk zullen krijgen. Andere voorkomende dwanggedachten hebben vaak te maken met ziekte, dood en seks.

    2. Bij dwangimpulsen bestaat de aandrang om daadwerkelijk iets te doen. De aandrang de eigen kinderen om te brengen, komt bijvoorbeeld een enkele keer voor. De impulsen worden echter meestal niet gevolgd door handelingen.

    3. Dwang of compulsieve handelingen zijn handelingen die voortdurend moeten worden verricht. Het kan hierbij om het wassen van de handen gaan of het steeds weer controleren of de deur wel op slot zit. De dwanghandelingen kunnen een zeer complex karakter krijgen en dan wordt wel van rituelen gesproken. De dwanghandelingen zijn soms magisch van aard. Door zich bijvoorbeeld volgens het juiste ritueel te kleden, denkt men te voorkomen dat ziekte ontstaat.

    Terug naar A-B-C index

    Oedipale fase

    1. De periode in de psychoseksuele ontwikkeling waarin het oedipus-complex een belangrijke rol speelt. In deze fase (ongeveer van vier tot zes jaar) is de seksuele energie van het kind niet langer op zichzelf gericht, maar meer op de vader en moeder. Bovendien ontstaat in deze periode de psychische structuur met het id, het ego en het superego. De oedipale fase eindigt in de latentieperiode.

    2. Een combinatie van de oedipale fase, zoals hierboven beschreven, met de fallische fase. In deze opvatting begint de oedipale fase al in het derde levensjaar als het Oedipus-complex nog geen rol van betekenis speelt.

    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Oedipus-complex
    Een complex dat is genoemd naar de figuur in de Griekse mythologie die zijn vader doodde en zijn moeder huwde. In de oedipale fase leert het kind een onderscheid te maken tussen zichzelf en de omgeving. Het kind wordt een individu en dit doet het verlangen naar een exclusieve relatie opleven. Het kind wil de ouder van het andere geslacht voor zichzelf hebben en raakt in een driehoeksrelatie verzeild, die volgens psychoanalytici een belangrijke rol zal blijven spelen in het verdere leven. De ene ouder wordt beleefd als een concurrent en rivaal in de strijd om de exclusieve liefde en aandacht van de ander.

    In deze periode treden ook belangrijke verschillen tussen jongens en meisjes op. Zowel een jongen als een meisje zal meestal in eerste instantie streven naar een exclusieve relatie met de moeder, met wie de meeste kinderen immers de innigste band onderhouden. Bij jongens is dus sprake van een gerichtheid op de andere sekse en daarom spreekt men ook wel van een positief oedipale instelling. Meisjes zijn gericht op een lid van de eigen sekse en zij hebben een negatief oedipale instelling. Zij maken daarna een verschuiving door, waarbij de vader steeds belangrijker voor hen wordt. Kinderen hebben in deze periode te maken met tegenstrijdige gevoelens. De ouder van het hetzelfde geslacht is een rivaal, maar tegelijkertijd een bron van aandacht en liefde. Het kind kan deze problemen overwinnen door zich te identificeren met de ouder van hetzelfde geslacht. Wanneer het kind er niet in slaagt het Oedipus-complex te boven te komen, kan dit een zwakke plek in de psychische constitutie achterlaten en dit maakt iemand op latere leeftijd gevoelig voor neurosen.
    Terug naar A-B-C index

    Oerschreeuwtherapie
    (Eng: primal scream therapy) Een door Janov bedachte vorm van therapie om neurosen te behandelen. De cliŽnt beleeft onder begeleiding van een therapeut opnieuw zijn eigen geboorte. De gedachte hierachter is dat de onvoldoende verwerkte hevige pijn tijdens de geboorte de basis vormt van de neurose. In de therapie komen intense emoties die tijdens de geboorte worden beleefd tot ontlading.
    Terug naar A-B-C index

    Omkering in het tegendeel
    Een afweermechanisme waarbij het ego poogt negatieve gevoelens te vervangen door hun tegendeel. Via dit proces kan bijvoorbeeld jaloezie die voortgekomen is uit een gevoel van onmacht, omslaan in een gevoel van almacht door middel van de illusie dat men beschikt over magische krachten. Dit afweermechanisme kan optreden bij kinderen, vooral wanneer deze nog niet helemaal in staat zijn onderscheid te maken tussen wat zij zelf zijn en kunnen, en wat anderen of andere krachten eigen is.
    Terug naar A-B-C index

    Oraal karakter

    1. In de psychoanalytische theorie: volwassen gedragspatronen die gekenmerkt worden door een fixatie op de orale fase. Deze fixatie kan volgens de klassieke opvattingen voorkomen, wanneer het kind te weinig (soms te veel) orale bevrediging heeft gehad, dat wil zeggen te weinig (of te veel) gevoed en gekoesterd is, waarbij vooral de stimulatie van de mond, en verder van de huid, in het algemeen een belangrijke factor is. Typerende eigenschappen zijn volgens Freud: egoÔsme, een onverzadigbare behoefte aan liefde en aandacht, passieve afhankelijkheid en soms een overmatige behoefte aan eten, drinken of roken.

    2. Moderne opvattingen binnen de psychoanalyse hebben meer oog voor de verschillen tussen het volwassen functioneren en dat van een kind in de orale fase. Er wordt van uitgegaan dat een persoon met een oraal karakter gedreven wordt door drijfveren die zijn voortgekomen uit de orale aandriften. Dit kan betekenen dat de persoon op zoek gaat naar orale bevrediging (bijvoorbeeld eten of slapen) of naar bevrediging van zijn agressieve behoeften. Een oraal karakter kan gekenmerkt worden door hebzucht, de sterke wil om op zijn wenken bediend te worden, afhankelijkheid, ongeduld, maar ook door nieuwsgierigheid of vrijgevigheid.

    Terug naar A-B-C index

    Orale fase
    (Oraal = de mond betreffend) De eerste fase van de psychoseksuele ontwikkeling, die globaal de eerste achttien maanden omvat. Voor pasgeborenen lijken de voornaamste lust- en onlustgevoelens uitsluitend samen te hangen met lichamelijke gewaarwordingen. Pijn en honger veroorzaken onlust, terwijl het opheffen van honger de indruk wekt dat de zuigeling iets plezierigs, lustvols beleeft. Sigmund Freud bracht zulke plezierige ervaringen in verband met de prikkeling van de mond en het maag-darmkanaal tijdens de voedselopname. Bovendien komt de lustbeleving langzamerhand tot op zekere hoogte los te staan van het al dan niet opnemen van voedsel. Het sabbelen op een fopspeen of op de eigen vingers lijkt de zuigeling een plezier te doen. Vandaar Freuds veronderstelling dat het lustbeleven aanvankelijk voornamelijk gelokaliseerd is in en om de mondholte. Tijdens deze fase is er nog geen sprake van een ego; het kind kan het vreemde nog niet van het eigene onderscheiden, maar er is wel een exclusieve gerichtheid op de verzorgende figuur, meestal de moeder, aanwezig. De moeder geldt als het object waarop de libidineuze energie (libido) van het kind gericht is. De ontwikkeling van de agressie - de destructieve en op zelfhandhaving gerichte drift - in de orale fase, is door de psychoanalytici veel minder nauwkeurig beschreven dan die van de libido. Als eerste vormen van agressie kunnen de uitingen van onlust van de zuigeling worden opgevat, zoals huilen, trappelen en andere vormen van heftige lichamelijke activiteit. Deze reacties zijn in het begin nog diffuus, dat wil zeggen ongericht, maar zo rond het einde van het eerste levensjaar raken de agressieve drijfveren gekoppeld aan bepaalde personen. De moeder is dan meestal zowel de ontvanger van allerlei positieve (libidineuze) gevoelens van het kind als van de boze en agressieve.
    Zie ook:
    orale fase, anale fase, oedipale fase of fallische fase, latentieperiode en Genitale fase.

    Terug naar A-B-C index

    Paniekstoornis
    Ook episodische paroxismale angst. Een aandoening die gepaard gaat met terugkerende, hevige paniekaanvallen die meestal slechts enkele minuten aanhouden, hoewel ze ook langer kunnen duren. De angst treedt niet op als reactie op een bepaalde situatie en de angstaanvallen zijn daardoor onvoorspelbaar. Tijdens de angstaanval komen klachten als hartkloppingen, kortademigheid, misselijkheid, pijn op de borst, flauwte en hevige transpiratie voor. Daarbij komt vaak de angst om dood te gaan of het verstand te verliezen. Tussen de angstaanvallen door verdwijnt de angst, hoewel de persoon wel bevreesd kan zijn voor het opnieuw optreden van een angstaanval. Het gebeurt dan ook vaak dat de persoon niet meer de straat op durft en niet alleen wil zijn.
    Zie ook: agorafobie
    Terug naar A-B-C index

    Panpsychisme
    Een filosofische stroming die aan alles (pan) een zeker soort van bewustzijn (psyche) toekent. Met bewustzijn wordt een bepaalde vorm van psychische activiteit bedoeld die bij levenloze dingen minder gecompliceerd is dan bij levende wezens. Het panpsychisme kent verschillende variaties. De filosoof en wiskundige Alfred North Whitehead (1861-1947) dacht bijvoorbeeld dat de wereld een organische eenheid was waarin alle processen van elkaar afhankelijk waren.
    Terug naar A-B-C index

    Panseksualisme
    Aanduiding voor opvattingen en theorieŽn die al het menselijke gedrag trachten te verklaren uit seksuele drijfveren. Meestal wordt de term door critici van zulke theorieŽn gebruikt om te benadrukken dat mogelijke andere verklaringen genegeerd worden. In het bijzonder is dit gebeurd door bestrijders van de psychoanalytische theorie van Sigmund Freud.
    Terug naar A-B-C index

    Paradigma
    Een soort basistheorie of grondplan waarover binnen een groep vakgenoten (de scientific community) overeenstemming bestaat. Het paradigma moet de ruimte bieden voor het oplossen van een groot aantal problemen in het vakgebied. De term is afkomstig van Thomas Samuel Kuhn (geb. 1922), die dacht dat de moderne wetenschap te omschrijven was als een opeenvolging van paradigma's. De wetenschappers ontdekken namelijk op den duur (te) veel tegenstrijdigheden (anomalieŽn) binnen het paradigma waarbinnen zij werken en dit leidt tot onvrede. Hierop volgt een periode van grote onrust aan het wetenschappelijk front, totdat een nieuw geaccepteerd paradigma opkomt. De 'revolutie' is dan voltooid. Volgens Kuhn bevat een nieuw paradigma niet noodzakelijk meer waarheid dan het oude, maar het biedt wel ruimte voor nieuw en breder onderzoek.
    Terug naar A-B-C index

    Paradoxale interventie
    Een techniek die vooral gebruikt wordt binnen de systeemtherapie. De cliŽnt krijgt daarbij een opdracht, waarvan het eigenlijk de bedoeling is dat die niet uitgevoerd wordt. Wanneer een echtpaar veel ruzie maakt, kan de therapeut bijvoorbeeld eerst zeggen dat de ruzies kennelijk een belangrijke functie in de relatie vervullen. Vervolgens geeft hij het stel de opdracht mee naar huis om de komende week maar eens flink ruzie te maken. De onderlinge ruzies en irritaties komen dan in een ander licht te staan of worden dan op een dergelijke manier uitvergroot dat zij de personen tegen beginnen te staan.
    Terug naar A-B-C index

    Parafilia
    Ook seksuele afwijking of seksuele deviatie. Vormen van seksueel gedrag die tegen de heersende maatschappelijke normen en waarden in gaan. Er wordt pas van parafilia gesproken wanneer een persoon de leeftijd heeft bereikt waarin de psychoseksuele structuur zo stabiel is, dat er geen spontane veranderingen meer verwacht kunnen worden. Dit is vanaf de adolescentie.
    In de DSM IV-classificatie zijn de volgende seksuele afwijkingen opgenomen: Exhibitionisme, Fetisjisme, Pedofilie, Seksueel masochisme, Seksueel sadisme, Transvestitisme, Voyeurisme, ZoŲfilie, atypische parafilia. De laatstgenoemde is een soort restcategorie die afwijkingen omvat die niet binnen de andere categorieŽn passen. Voorbeelden zijn urofilie en necrofilie.

    Overigens is het niet zo dat iedereen die opgewonden wordt van het kijken naar blote mensen of die zichzelf graag laat bekijken, meteen een voyeur of een exhibitionist is. Er is pas sprake van een seksuele afwijking als dit aspect een zeer centrale rol is gaan spelen in de seksuele beleving.
    Terug naar A-B-C index

    Paralimbische zone
    Onderdeel van de hersenschors ook wel mesocortex genoemd. Een vijftal gebieden die onderdeel uitmaken van de hersenschors, maar die niet de kenmerkende structuur van zes cellagen bezit. Zij spelen onder andere een rol bij motivatie, emotie, reukwaarneming en geheugen.
    Terug naar A-B-C index

    ParalinguÔstische communicatie
    Ook parataal. Taalwetenschappelijke term voor een specifieke vorm van communicatie waarbij niet direct gebruik wordt gemaakt van taal; namelijk het maken van geluiden (vocalisaties: grommen, kuchen, hummen) of veranderingen in spreekkwaliteiten (aarzelen, sneller of langzamer spreken). Deze parataal heeft een cultureel gedefinieerde betekenis. Zij kan bijvoorbeeld de emotionele toestand van de spreker aangeven. Menselijke parataal vertoont overeenkomsten met communicatie tussen dieren. Een belangrijke vertegenwoordiger van de wetenschappers die zich met paralinguÔstische communicatie bezighouden, is de Amerikaan George L. Trager.
    Terug naar A-B-C index

    Parallelle informatieverwerking
    Het verschijnsel dat ťťn brok informatie tegelijkertijd in verschillende delen van het zenuwstelsel verwerkt wordt. Dit is een algemeen gebruikt principe in het brein. Een voorbeeld biedt het zien. Het beeld dat op het netvlies valt, wordt tegelijkertijd door verschillende systemen verwerkt, die ieder een verschillende taak hebben. Zo worden kleur, beweging en vorm door gespecialiseerde eenheden verwerkt. Wanneer deze stappen na elkaar worden uitgevoerd, wordt gesproken van seriŽle verwerking van informatie.
    Terug naar A-B-C index

    Parallellisme

    1. Psychofysisch parallellisme. Een klassieke opvatting over het Lichaam-Geest-probleem. Stof en geest worden hier gezien als twee naast elkaar verlopende processen, waarbij iedere gebeurtenis in het ene domein een corresponderende gebeurtenis kent in het andere. Tevens wordt aangenomen dat lichaam en geest geen causale invloed op elkaar kunnen uitoefenen. Een beroemde vergelijking op dit gebied is afkomstig van Arnold Geulincx (1624-1669). Hij vergeleek lichaam en geest met twee klokken die beide dezelfde tijd aangeven, maar die elkaar toch niet beÔnvloeden.

    2. Psychoneuraal parallellisme. Een bijzondere uitwerking van het psychofysisch parallellisme, waarbij de categorie 'stof' vervangen wordt door de hersenen. Alle gebeurtenissen in de geest kennen volgens deze opvatting hun fysische evenbeeld in het zenuwstelsel.

    3. Cultureel parallellisme. Een term afkomstig uit de culturele antropologie, waarmee het voorkomen van soortgelijke culturele instellingen wordt bedoeld in samenlevingen die geen contact met elkaar hebben gehad.

    Terug naar A-B-C index

    Paramedici
    Een tiental beroepsgroepen die binnen de gezondheidszorg werkzaam zijn, maar het zijn geen artsen of verpleegkundigen. Het gaat bijvoorbeeld om fysiotherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten en diŽtisten.
    Terug naar A-B-C index

    Paranoia

    1. Een psychische stoornis, gekenmerkt door wanen en vaak ook door hallucinaties, die een samenhangend systeem vormen rondom een kern. Voorbeelden zijn het idee dat de buitenwereld tegen de persoon samenspant (achtervolgingswaan) of dat de eigen persoon gezien wordt als het centrum van de wereld (grootheidswaan). Het denkvermogen zelf en de intellectuele vermogens zijn hierbij niet verminderd.

    2. De term paranoia, met het ervan afgeleide paranoÔde (ziekelijk wantrouwend), wordt soms ook gebruikt als synoniem voor achtervolgingswaan.

    Terug naar A-B-C index

    ParanoÔde persoonlijkheidsstoornis
    Een 'persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een sterke achterdocht ten opzichte van medemensen, waardoor zelfs neutrale gedragingen als vijandig beleefd worden. De persoon heeft vaak het gevoel dat anderen tegen hem samenspannen en verdenkt de vaste partner herhaaldelijk van ontrouw. De eigen belangrijkheid wordt sterk overschat en er is sprake van een extreme gevoeligheid voor afwijzing en een neiging om blijvend wrok te koesteren. De relaties met anderen zijn zeer afstandelijk.
    Terug naar A-B-C index

    ParanoÔde Schizofrenie
    De meest voorkomende vorm van schizofrenie. Het denken van de persoon wordt beheerst door stabiele en meestal achterdochtige wanen. Er is vaak sprake van het horen van stemmen, andere hallucinaties en verstoringen van de waarneming. Hier staat tegenover dat de stoornissen van de emotionele beleving, wilskracht, bewegingen en spraak relatief gering zijn. De persoon kan het waandenkbeeld hebben dat hij van hoge komaf is, dat zijn lichaam is veranderd of dat hij achtervolgd wordt. De gehallucineerde stemmen kunnen de patiŽnt bedreigen of opdrachten verstrekken. De andere hallucinaties hebben meestal betrekking op geuren of smaken. Visuele hallucinaties zijn zelden overheersend.
    Terug naar A-B-C index

    Paranoid-hallucinatoor syndroom
    Een combinatie van wanen en hallucinaties van een angstaanjagende aard, bij een helder bewustzijn. Dit komt het vaakst voor bij psychiatrische stoornissen, zoals schizofrenie, maar soortgelijke verschijnselen zijn ook mogelijk bij een lichamelijk ziekteproces in het brein, zoals bloedcirculatiestoornissen of de ziekte van Parkinson.
    Terug naar A-B-C index

    Paranormaal
    Verschijnselen waarvoor de gebruikelijke verklaringen te kort schieten. Voorbeelden zijn 'helderziendheid en psychokinese. Zie ook: parapsychologie
    Terug naar A-B-C index

    Parapraxie
    De kleine foutjes en vergissingen die gemaakt worden. Voorbeelden zijn misstappen, versprekingen, weglatingen en andere kleine ongelukjes. Met name Sigmund Freud heeft zich met dit onderwerp bezig gehouden en dacht dat in de vergissing een onbewuste wens of gedachtegang naar de oppervlakte komt, die de bewuste handeling in de war stuurt.
    Terug naar A-B-C index

    Parapsychologie
    Een weinig geaccepteerde tak binnen de psychologie, die zich bezighoudt met paranormale fenomenen. Een probleem voor de serieuze onderzoekers binnen deze richting is o.a. het grote aantal oplichters dat zich op hetzelfde terrein begeeft. Bovendien blijkt het vrijwel onmogelijk om eenmaal gevonden resultaten opnieuw te herhalen en tevens heeft men nog geen enkele verklaring op kunnen stellen over de wijze waarop paranormale fenomenen tot stand zouden komen. Daardoor is het voor de grote schare critici nog steeds mogelijk te ontkennen dat paranormale fenomenen echt bestaan.
    Terug naar A-B-C index

    Parasomnia
    Een verzamelnaam voor een aantal afwijkende gebeurtenissen die plaatsvinden tijdens de slaap. Voorbeelden zijn slaapwandelen, nachtmerries, bedplassen (enuresis) en pavor nocturnus. In de kindertijd hangen deze stoornissen hoofdzakelijk samen met de ontwikkelingsfase van het kind (bijvoorbeeld angst voor dieren bij kleuters), terwijl zij tijdens de volwassenheid overheersend voortkomen uit emotionele problemen.
    Terug naar A-B-C index

    Passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheid die weigert zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. Tegelijkertijd wordt het anderen zeer kwalijk genomen dat zij wel initiatief nemen. Het lijkt alsof de persoon niet volwassen wil worden. De passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis weet anderen mateloos te irriteren door het consequent uitstellen van beslissingen, te laat komen en een kinderachtige koppigheid. De stoornis zou voortkomen uit het niet kunnen accepteren van gezag.
    Terug naar A-B-C index

    Pathologie
    Wetenschap van de veranderingen van vormen en functies die zich in een lichaam door ziekte voordoen. De pathologie omvat de kennis van de aard van de ziekten en hun indeling, hun oorzaken (etiologie), de ontwikkeling van de verschijnselen en hun gevolgen. Een onderdeel van de pathologie is de psychopathologie, waarbinnen de aandacht uitgaat naar geestelijke ziekte.
    Terug naar A-B-C index

    Pavor Nocturnus
    Ook nachtelijke panische angstgevoelens. Een stoornis die vooral bij kinderen optreedt in de eerste uren van de slaap. Zij worden plotseling wakker uit slaapstadium 4, zijn bevangen door een hevige angst en laten zich nauwelijks troosten. Het kind zweet en is zeer onrustig. De episode duurt meestal slechts enkele minuten en als het kind later weer wakker wordt, kan het zich niets meer herinneren. Het gevaar bestaat dat het kind zich verwondt tijdens de angstaanval.
    Terug naar A-B-C index

    Pedofilie
    Seksuele afwijking waarbij volwassenen opgewonden raken van de gedachte aan, of de werkelijke seksuele omgang met jonge kinderen. Opvallend is dat veel pedofielen zeggen zelf op jeugdige leeftijd seksueel misbruikt te zijn, maar er bestaan aanwijzingen dat deze verhalen eerder als een soort smoesje worden gebruikt dan dat zij op een dergelijk voorval uit het verleden wijzen. Er bestaat overigens enige discussie over de vraag hoe schadelijk een en ander is voor kinderen. Een meerderheid stelt zich op het standpunt dat een kind in het contact met een pedofiel onvoldoende vrijheid heeft om zelf te bepalen wat het wil en dat daardoor deze omgang schadelijk is.
    Terug naar A-B-C index

    Persoonlijkheid
    Een moeilijk te definiŽren begrip dat staat voor de eigenschappen van een persoon. Het woord persoonlijkheid stamt af van het Latijnse personae, het masker dat in het Romeinse theater door acteurs gedragen werd om bepaalde effecten te sorteren. Tegenwoordig wordt het begrip gebruikt om iemands essentiŽle eigenschappen aan te duiden, een betekenis die dus tegengesteld is aan de oorspronkelijke. De persoonlijkheid van iemand is de karakteristieke manier waarop hij denkt en waarop hij de wereld tegemoet treedt.
    Terug naar A-B-C index

    Persoonlijkheidsleer
    Wordt ook wel persoonlijkheidspsychologie en soms personologie genoemd. De systematische bestudering van de persoonlijkheid.

    Zie ook: persoonlijkheidstheorieŽn

    Persoonlijkheidspsychologie: zie persoonlijkheidsleer
    Terug naar A-B-C index

    Persoonlijkheidsstoornis
    Hiervan is sprake als iemand een vaste, starre manier van reageren heeft ontwikkeld op zeer uiteenlopende omstandigheden. Dit is hinderlijk voor de persoon zelf en/of voor de directe omgeving. De stoornis komt aan het licht op veel levensgebieden, ontstaat doorgaans in de kindertijd of adolescentie en blijft voortduren in de volwassenheid. De stoornis maakt als het ware onderdeel uit van iemands karakter, en dit impliceert dat veranderingen niet zo snel zullen optreden.
    Als de verstoorde manier van reageren op de omgeving op volwassen leeftijd is ontstaan, wordt de voorkeur gegeven aan de term duurzame persoonlijkheidsverandering. Hier kunnen verschillende oorzaken voor bestaan. In de eerste plaats zijn dat traumatische ervaringen. Iemand die een ramp heeft meegemaakt of in een concentratiekamp heeft gezeten, kan een voortdurende wantrouwende houding tegenover de wereld ontwikkelen, naast een onvermogen zich te ontspannen. Personen die een ernstige psychiatrische ziekte hebben doorgemaakt, maken zich soms blijvend een passieve houding eigen, waarbij ze zich afhankelijk van anderen opstellen. Tot slot kunnen ook hersenbeschadigingen leiden tot persoonlijkheidsveranderingen.
    Terug naar A-B-C index

    Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
    Ook asthene persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis waarbij de persoon weigert zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. Hij heeft voortdurend behoefte aan advies en geruststelling en geeft anderen toestemming of moedigt hen aan om belangrijke beslissingen voor hem te nemen. De persoon is overdreven volgzaam en wil ook geen redelijke eisen stellen aan personen van wie hij afhankelijk is. Dit hangt meestal samen met een sterke angst om verlaten te worden.
    Terug naar A-B-C index

    Angstige persoonlijkheidsstoornis
    Ook ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een voortdurende gespannenheid en angst voor de toekomst. De persoon gaat gebukt onder minderwaardigheidsgevoelens en is erg bang voor kritiek. De angst voor afwijzing is vaak zo groot dat de persoon pas bij iemand betrokken durft te raken als hij er zeker van is dat de ander hem aardig vindt. Sociaal contact wordt vaak gemeden.
    Terug naar A-B-C index

    Antisociale persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: asociale, dissociale, psychopathische en sociopathische persoonlijkheidsstoornis.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Asociale persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, dissociale, psychopathische en sociopathische persoonlijkheidsstoornis.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Asthene persoonlijkheidsstoornis
    Ook afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis waarbij de persoon weigert zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. Hij heeft voortdurend behoefte aan advies en geruststelling en geeft anderen toestemming of moedigt hen aan om belangrijke beslissingen voor hem te nemen. De persoon is overdreven volgzaam en wil ook geen redelijke eisen stellen aan personen van wie hij afhankelijk is. Dit hangt meestal samen met een sterke angst om verlaten te worden.
    Terug naar A-B-C index

    Borderline persoonlijkheidsstoornis
    Ook emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis of schizotypische persoonlijkheidsstoornis of latente schizofrenie genoemd. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door vreemd gedrag en waarbij het denken en de gevoelswereld overeenkomsten vertonen met die van schizofrenie. Er wordt echter nooit voldaan aan alle eisen die noodzakelijk zijn voor de diagnose schizofrenie. De stoornis is meestal blijvend, hoewel schommelingen in de mate van ernst voorkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Compulsieve persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis of dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. Een stoornis die gekenmerkt wordt door steeds terugkerende dwanggedachten en dwangbeelden (obsessies) en/of zich herhalend, ritueel gedrag waarvan de persoon het gevoel heeft dat hij daartoe gedwongen wordt (compulsies). De obsessies zijn bijna altijd verontrustend, omdat zij zinloos zijn of een gewelddadig of obsceen karakter hebben. De gedachten komen steeds op hetzelfde onderwerp uit en kunnen niet gekenschetst worden als een overdreven bezorgdheid voor een dagelijks probleem. De persoon probeert zich er dan ook tegen te verzetten, maar het lukt hem niet om de gedachten uit te bannen. De persoon heeft wel in de gaten dat het zijn eigen gedachten zijn. De dwanghandelingen roepen eveneens verzet op, omdat zij niet nuttig zijn voor het individu en omdat zij soms vele uren per dag kosten. Het vaakst hebben de dwanghandelingen betrekking op schoonmaken (talloze malen per dag de handen wassen) of het eindeloos controleren of een gevaarlijke situatie is ontstaan (telkens kijken of de gaskraan wel dicht is). Ook is het mogelijk dat de persoon op deze manier naderend onheil probeert te bezweren. Obsessief-compulsieve stoornissen gaan vaak samen met neerslachtigheid (depressie). Wanneer dit het geval is, is de kans op genezing geringer.

    De verzamelterm dwangfenomeen staat voor verschillende vormen van uit het eigen ik voortgekomen psychische activiteit, waarvan de persoon de indruk heeft dat ze hem is opgelegd en waaraan hij zich niet kan onttrekken. De verschillende dwangfenomenen kunnen gezamenlijk of apart voorkomen. Men onderscheidt:

    1. Dwanggedachten en dwangvoorstellingen (obsessies), waarbij iemand zich niet kan losmaken van een bepaalde gedachte of voorstelling. Iemand kan er bijvoorbeeld voortdurend aan moeten denken dat zijn kinderen een ongeluk zullen krijgen. Andere voorkomende dwanggedachten hebben vaak te maken met ziekte, dood en seks.

    2. Bij dwangimpulsen bestaat de aandrang om daadwerkelijk iets te doen. De aandrang de eigen kinderen om te brengen, komt bijvoorbeeld een enkele keer voor. De impulsen worden echter meestal niet gevolgd door handelingen.

    3. Dwang of compulsieve handelingen zijn handelingen die voortdurend moeten worden verricht. Het kan hierbij om het wassen van de handen gaan of het steeds weer controleren of de deur wel op slot zit. De dwanghandelingen kunnen een zeer complex karakter krijgen en dan wordt wel van rituelen gesproken. De dwanghandelingen zijn soms magisch van aard. Door zich bijvoorbeeld volgens het juiste ritueel te kleden, denkt men te voorkomen dat ziekte ontstaat.

    Terug naar A-B-C index

    Cyclothyme persoonlijkheidsstoornis zie cylothymie
    Ook wel cyclothyme stoornis. Een gedurende minimaal twee jaar aanhoudende stemmingsstoornis met regelmatige stemmingsschommelingen, die vrij licht zijn en die niet veroorzaakt worden door levensomstandigheden. De stoornis voldoet niet aan de criteria voor een bipolaire affectieve stoornis, omdat de terneergeslagen perioden niet voldoen aan de kenmerken van een depressieve stoornis en de enthousiaste perioden niet voldoen aan de kenmerken van Hypomanie. De stoornis veroorzaakt beperkingen in het functioneren en lijden, maar blijft vaak onbehandeld, omdat de betreffende personen geen medische hulp zoeken. Als de emotionele instabiliteit een vaste karaktertrek is, wordt gesproken van een cyclothyme persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Depressieve persoonlijkheidsstoornis zie dysthymie
    Ook wel dysthyme stoornis. Een stemmingsstoornis die gekarakteriseerd wordt door een algemene neerslachtigheid, weinig gevoel van eigenwaarde, futloosheid, concentratieproblemen, gevoelens van hopeloosheid en te veel of te weinig eetlust. Minimaal twee van deze symptomen zijn aanwezig. De dysthyme stoornis onderscheidt zich van een depressieve stoornis doordat de depressie minder diep is. Tegelijkertijd is de stemming allang aanwezig, minimaal twee jaar. Wanneer een organische oorzaak bekend is van de lusteloosheid, wordt niet van een dysthyme stoornis gesproken. Als de stemmingsstoornis is een vast onderdeel uit lijkt te maken van iemands persoonlijkheid, wordt ook gesproken van een depressieve persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Dissociale persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, asociale, psychopathische en sociopathische persoonlijkheidsstoornis.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel compulsieve of obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Een stoornis die gekenmerkt wordt door steeds terugkerende dwanggedachten en dwangbeelden (obsessies) en/of zich herhalend, ritueel gedrag waarvan de persoon het gevoel heeft dat hij daartoe gedwongen wordt (compulsies). De obsessies zijn bijna altijd verontrustend, omdat zij zinloos zijn of een gewelddadig of obsceen karakter hebben. De gedachten komen steeds op hetzelfde onderwerp uit en kunnen niet gekenschetst worden als een overdreven bezorgdheid voor een dagelijks probleem. De persoon probeert zich er dan ook tegen te verzetten, maar het lukt hem niet om de gedachten uit te bannen. De persoon heeft wel in de gaten dat het zijn eigen gedachten zijn. De dwanghandelingen roepen eveneens verzet op, omdat zij niet nuttig zijn voor het individu en omdat zij soms vele uren per dag kosten. Het vaakst hebben de dwanghandelingen betrekking op schoonmaken (talloze malen per dag de handen wassen) of het eindeloos controleren of een gevaarlijke situatie is ontstaan (telkens kijken of de gaskraan wel dicht is). Ook is het mogelijk dat de persoon op deze manier naderend onheil probeert te bezweren. Obsessief-compulsieve stoornissen gaan vaak samen met neerslachtigheid (depressie). Wanneer dit het geval is, is de kans op genezing geringer.

    De verzamelterm dwangfenomeen staat voor verschillende vormen van uit het eigen ik voortgekomen psychische activiteit, waarvan de persoon de indruk heeft dat ze hem is opgelegd en waaraan hij zich niet kan onttrekken. De verschillende dwangfenomenen kunnen gezamenlijk of apart voorkomen.
    Men onderscheidt:

    1. Dwanggedachten en dwangvoorstellingen (obsessies), waarbij iemand zich niet kan losmaken van een bepaalde gedachte of voorstelling. Iemand kan er bijvoorbeeld voortdurend aan moeten denken dat zijn kinderen een ongeluk zullen krijgen. Andere voorkomende dwanggedachten hebben vaak te maken met ziekte, dood en seks.

    2. Bij dwangimpulsen bestaat de aandrang om daadwerkelijk iets te doen. De aandrang de eigen kinderen om te brengen, komt bijvoorbeeld een enkele keer voor. De impulsen worden echter meestal niet gevolgd door handelingen.

    3. Dwang of compulsieve handelingen zijn handelingen die voortdurend moeten worden verricht. Het kan hierbij om het wassen van de handen gaan of het steeds weer controleren of de deur wel op slot zit. De dwanghandelingen kunnen een zeer complex karakter krijgen en dan wordt wel van rituelen gesproken. De dwanghandelingen zijn soms magisch van aard. Door zich bijvoorbeeld volgens het juiste ritueel te kleden, denkt men te voorkomen dat ziekte ontstaat.

    Terug naar A-B-C index

    Dysthyme (persoonlijkheids)stoornis
    Ook wel depressieve persoonlijkheidsstoornis. Een stemmingsstoornis die gekarakteriseerd wordt door een algemene neerslachtigheid, weinig gevoel van eigenwaarde, futloosheid, concentratieproblemen, gevoelens van hopeloosheid en te veel of te weinig eetlust. Minimaal twee van deze symptomen zijn aanwezig. De dysthyme stoornis onderscheidt zich van een depressieve stoornis doordat de depressie minder diep is. Tegelijkertijd is de stemming allang aanwezig, minimaal twee jaar. Wanneer een organische oorzaak bekend is van de lusteloosheid, wordt niet van een dysthyme stoornis gesproken. Als de stemmingsstoornis is een vast onderdeel uit lijkt te maken van iemands persoonlijkheid, wordt ook gesproken van een depressieve persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis
    Bestaat uit twee typen: het explosieve en het borderline type.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een sterke neiging tot direct en gedachteloos handelen, gecombineerd met een gebrek aan emotionele stabiliteit. Het lukt de persoon niet dingen volgens een plan uit te voeren.
    Er worden twee typen onderscheiden.
    Het impulsieve type (explosieve persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral moeite de eigen reacties in te tomen. Hij kan kritiek niet verdragen en komt vaak tot uitbarstingen van geweld of dreigt daarmee.
    Het borderline type (borderline persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral last van een sterk fluctuerend gevoelsleven, dat gekenmerkt wordt door sterke gevoelens van leegte. Hij weet niet wat hij wil of wie hij precies is. De persoon komt vaak terecht in intense en onstabiele relaties, en de angst voor verlating drijft hem soms tot het uiterste. Zo kan hij dreigen met zelfmoord als de ander hem zou verlaten.
    Terug naar A-B-C index

    Explosieve persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een sterke neiging tot direct en gedachteloos handelen, gecombineerd met een gebrek aan emotionele stabiliteit. Het lukt de persoon niet dingen volgens een plan uit te voeren.
    Er worden twee typen onderscheiden.
    Het impulsieve type (explosieve persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral moeite de eigen reacties in te tomen. Hij kan kritiek niet verdragen en komt vaak tot uitbarstingen van geweld of dreigt daarmee.
    Het borderline type (borderline persoonlijkheidsstoornis) heeft vooral last van een sterk fluctuerend gevoelsleven, dat gekenmerkt wordt door sterke gevoelens van leegte. Hij weet niet wat hij wil of wie hij precies is. De persoon komt vaak terecht in intense en onstabiele relaties, en de angst voor verlating drijft hem soms tot het uiterste. Zo kan hij dreigen met zelfmoord als de ander hem zou verlaten.
    Terug naar A-B-C index

    Histrionische persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel de theatrale persoonlijkheidsstoornis genoemd
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door overdreven dramatisch gedrag. De persoon heeft wisselende stemmingen, maakt gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht te trekken, is ongepast verleidelijk en trekt graag de aandacht. In de directe omgeving wekt dit gedrag vaak veel irritatie, omdat het een onwaarachtige indruk maakt. De theatrale persoonlijkheid voelt deze afwijzing en neemt vaak zijn toevlucht tot nog dramatischer gedrag, wat echter alleen maar meer irritatie oproept.

    Deze stoornis heeft een aantal overeenkomsten met de borderline persoonlijkheidsstoornis. Personen met een histrionische persoonlijkheidsstoornis kunnen namelijk ook zeer heftig reageren op bepaalde (zelfs onbelangrijke) dingen; van heel vrolijk tot bijna hysterisch.

    Symptomen van de Histrionische persoonlijkheidsstoornis

    • het voortdurend zoeken naar geruststelling of goedkeuring

    • Overdreven dramatisch en overdreven expressie van emoties

    • Overdreven gevoelig voor kritiek of afkeuring

    • Ongepast verleidelijk voorkomen of gedrag

    • Overdreven bezorgdheid over fysisch voorkomen

    • Behoefte om in het middelpunt van de belangstelling te staan(egocentrisme)

    • Lage tolerantie voor frustratie of uitgestelde beloning/voldoening

    • Snel wisselende gemoedstoestand, die op anderen oppervlakkig kan overkomen

    • Opvattingen worden gemakkelijk beÔnvloed door andere mensen, maar kunnen niet met details onderlegd worden.

    • Neiging om relaties intiemer te zien dan ze in werkelijkheid zijn.

    • Treft snelle beslissingen

    • Dreigen met zelfmoord of pogingen tot zelfmoord om aandacht te krijgen


    Kenmerken van de Histrionische persoonlijkheidsstoornis

    • De histrionische persoonlijkheidstoornis word gekenmerkt door een patroon van overdreven emoties en het opeisen van aandacht, met inbegrip van overdreven behoefte aan goedkeuring, evenals ongepast verleidelijk gedrag, dat gewoonlijk in de jonge volwassenheid begint.

    • Het essentiŽle kenmerk van de histrionische persoonlijkheidstoornis is een diep, overdreven patroon van emotionaliteit en aandacht opeisend gedrag. Personen met de stoornis zijn levendig, dramatisch, enthousiast en geneigd tot flirten.

    • Ze kunnen ongepast seksueel uitdagend zijn, sterke emoties op impressionistische wijze tot uitdrukking brengen, en ze laten zich gemakkelijk door anderen beÔnvloeden.


    De literatuur maakt een onderscheid tussen de geslachten.
    Vrouwen

    • Vrouwen met de histrionische persoonlijkheidstoornis worden beschreven als egocentrisch, genotzuchtig, en zeer afhankelijk van anderen. Ze zijn emotioneel labiel en klampen zich in hun onvolwassen relaties aan anderen vast. Vrouwen met de stoornis identificeren zich te sterk met anderen; ze projecteren hun eigen onrealistische, gefantaseerde intenties op mensen met wie ze te maken hebben.

    • Ze zijn emotioneel oppervlakkig en hebben problemen om zichzelf of anderen met enige diepgang te begrijpen. De keuze van huwbare of seksuele partners is vaak ongepast. De pathologie neemt toe met de mate van intimiteit in relaties.

    • Vrouwen met de stoornis kunnen ongepaste en intense boosheid uiten. Ze kunnen - als ťťn aspect van algemeen manipulatief interactief gedrag - op manipulatieve zelfmoorddreigingen terugvallen.

    Mannen

    • Mannen met de histrionische persoonlijkheidstoornis vertonen gewoonlijk identiteitsdiffusie, verstoorde relaties en impulsief gedrag. Ze hebben anti-sociale neigingen en zijn geneigd tot het exploiteren van fysische symptomen. Ze zijn emotioneel onvolwassen, dramatisch en oppervlakkig.


    Zowel mannen als vrouwen met de stoornis vertonen ongeremd gedrag. Mensen met de stoornis zijn gewoonlijk in staat om zowel sociaal als op hun werk op hoog niveau te presteren.

    Andere gegevens

    • De histrionische persoonlijkheidstoornis kan echter invloed hebben op sociale- of liefdesrelaties, en op het vermogen om verliezen of mislukkingen te aanvaarden. Mensen met deze stoornis zouden behandeling voor depressie kunnen zoeken wanneer hun liefdesrelaties eindigen, hoewel dat geenszins een typisch kenmerk van de stoornis is. Ze zijn vaak niet in staat om hun eigen situatie realistisch te zien en hebben neiging tot dramatiseren en overdrijven.

    • De verantwoordelijkheid voor mislukkingen of teleurstellingen wordt gewoonlijk op anderen afgeschoven. Ze kunnen vaak van werk veranderen, omdat ze gemakkelijk verveeld raken en moeilijk frustraties aankunnen. Doordat ze naar nieuwigheden en opwinding verlangen, zouden ze in riskante situaties kunnen terechtkomen. Al die factoren kunnen tot een grotere kwetsbaarheid voor depressies leiden.


    Oorzaken
    De oorzaak van de stoornis is niet bekend, maar het kan zowel erfelijk als door gebeurtenissen in de jeugd bepaald zijn. Het kom vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De histrionische persoonlijkheidstoornis wordt verhoudingsgewijs minder bij mannen dan bij vrouwen vastgesteld. Mannen met gelijkaardige symptomen worden meestal met de anti-sociale persoonlijkheidstoornis gediagnosticeerd. Er is weinig onderzoek verricht naar de biologische oorzaken van deze stoornis. Psychoanalytische theorieŽn schrijven het aan een verleidelijke of autoritaire houding van de vaders van deze patiŽnten toe.
    Terug naar A-B-C index

    Narcistische persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door een opgeblazen gevoel van eigenwaarde en de behoefte aan bewondering. De persoon kan bijvoorbeeld helemaal in beslag genomen worden door vermeende successen, macht, schoonheid en genialiteit. Andere personen zijn er voor de mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis vooral om de eigen grootheid beter te laten uitkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel compulsieve of dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. Een stoornis die gekenmerkt wordt door steeds terugkerende dwanggedachten en dwangbeelden (obsessies) en/of zich herhalend, ritueel gedrag waarvan de persoon het gevoel heeft dat hij daartoe gedwongen wordt (compulsies). De obsessies zijn bijna altijd verontrustend, omdat zij zinloos zijn of een gewelddadig of obsceen karakter hebben. De gedachten komen steeds op hetzelfde onderwerp uit en kunnen niet gekenschetst worden als een overdreven bezorgdheid voor een dagelijks probleem. De persoon probeert zich er dan ook tegen te verzetten, maar het lukt hem niet om de gedachten uit te bannen. De persoon heeft wel in de gaten dat het zijn eigen gedachten zijn. De dwanghandelingen roepen eveneens verzet op, omdat zij niet nuttig zijn voor het individu en omdat zij soms vele uren per dag kosten. Het vaakst hebben de dwanghandelingen betrekking op schoonmaken (talloze malen per dag de handen wassen) of het eindeloos controleren of een gevaarlijke situatie is ontstaan (telkens kijken of de gaskraan wel dicht is). Ook is het mogelijk dat de persoon op deze manier naderend onheil probeert te bezweren. Obsessief-compulsieve stoornissen gaan vaak samen met neerslachtigheid (depressie). Wanneer dit het geval is, is de kans op genezing geringer.

    De verzamelterm dwangfenomeen staat voor verschillende vormen van uit het eigen ik voortgekomen psychische activiteit, waarvan de persoon de indruk heeft dat ze hem is opgelegd en waaraan hij zich niet kan onttrekken. De verschillende dwangfenomenen kunnen gezamenlijk of apart voorkomen.
    Men onderscheidt:

    1. Dwanggedachten en dwangvoorstellingen (obsessies), waarbij iemand zich niet kan losmaken van een bepaalde gedachte of voorstelling. Iemand kan er bijvoorbeeld voortdurend aan moeten denken dat zijn kinderen een ongeluk zullen krijgen. Andere voorkomende dwanggedachten hebben vaak te maken met ziekte, dood en seks.

    2. Bij dwangimpulsen bestaat de aandrang om daadwerkelijk iets te doen. De aandrang de eigen kinderen om te brengen, komt bijvoorbeeld een enkele keer voor. De impulsen worden echter meestal niet gevolgd door handelingen.

    3. Dwang of compulsieve handelingen zijn handelingen die voortdurend moeten worden verricht. Het kan hierbij om het wassen van de handen gaan of het steeds weer controleren of de deur wel op slot zit. De dwanghandelingen kunnen een zeer complex karakter krijgen en dan wordt wel van rituelen gesproken. De dwanghandelingen zijn soms magisch van aard. Door zich bijvoorbeeld volgens het juiste ritueel te kleden, denkt men te voorkomen dat ziekte ontstaat.

    Terug naar A-B-C index

    Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
    Ook angstige persoonlijkheidsstoornis genoemd. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een voortdurende gespannenheid en angst voor de toekomst. De persoon gaat gebukt onder minderwaardigheidsgevoelens en is erg bang voor kritiek. De angst voor afwijzing is vaak zo groot dat de persoon pas bij iemand betrokken durft te raken als hij er zeker van is dat de ander hem aardig vindt. Sociaal contact wordt vaak gemeden.
    Terug naar A-B-C index

    ParanoÔde persoonlijkheidsstoornis
    Een 'persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een sterke achterdocht ten opzichte van medemensen, waardoor zelfs neutrale gedragingen als vijandig beleefd worden. De persoon heeft vaak het gevoel dat anderen tegen hem samenspannen en verdenkt de vaste partner herhaaldelijk van ontrouw. De eigen belangrijkheid wordt sterk overschat en er is sprake van een extreme gevoeligheid voor afwijzing en een neiging om blijvend wrok te koesteren. De relaties met anderen zijn zeer afstandelijk.
    Terug naar A-B-C index

    Passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheid die weigert zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen leven. Tegelijkertijd wordt het anderen zeer kwalijk genomen dat zij wel initiatief nemen. Het lijkt alsof de persoon niet volwassen wil worden. De passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis weet anderen mateloos te irriteren door het consequent uitstellen van beslissingen, te laat komen en een kinderachtige koppigheid. De stoornis zou voortkomen uit het niet kunnen accepteren van gezag.
    Terug naar A-B-C index

    Psychopathische persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, asociale, dissociale persoonlijkheidsstoornis en sociopathische persoonlijkheidsstoornis.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    SchizoÔde persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een koele afstandelijkheid en een vervlakt gevoelsleven. Kritiek of lof raakt de schizoÔde persoonlijkheid schijnbaar niet. De persoon beleeft (bijna) nergens plezier aan en heeft weinig interesse in seks. Warme relaties met medemensen ontbreken en worden niet gemist. De persoon doet dingen het liefst in zijn eentje en leeft in een eigen fantasiewereld. Hij houdt opvallend weinig rekening met hoe het hoort.
    Terug naar A-B-C index

    Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
    Ook latente schizofrenie of Borderline persoonlijkheidsstoornis genoemd. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door vreemd gedrag en waarbij het denken en de gevoelswereld overeenkomsten vertonen met die van schizofrenie. Er wordt echter nooit voldaan aan alle eisen die noodzakelijk zijn voor de diagnose schizofrenie. De stoornis is meestal blijvend, hoewel schommelingen in de mate van ernst voorkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Sociopathische persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, asociale, dissociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathische persoonlijkheidsstoornis.
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Theatrale persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel de histrionische persoonlijkheidsstoornis. (Eng: histrionic personality)
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door overdreven dramatisch gedrag. De persoon heeft wisselende stemmingen, maakt gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht te trekken, is ongepast verleidelijk en trekt graag de aandacht. In de directe omgeving wekt dit gedrag vaak veel irritatie, omdat het een onwaarachtige indruk maakt. De theatrale persoonlijkheid voelt deze afwijzing en neemt vaak zijn toevlucht tot nog dramatischer gedrag, wat echter alleen maar meer irritatie oproept.

    Deze stoornis heeft een aantal overeenkomsten met de borderline persoonlijkheidsstoornis. Personen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis kunnen namelijk ook zeer heftig reageren op bepaalde (zelfs onbelangrijke) dingen; van heel vrolijk tot bijna hysterisch.

    Symptomen van de theatrale persoonlijkheidsstoornis

    • het voortdurend zoeken naar geruststelling of goedkeuring

    • Overdreven dramatisch en overdreven expressie van emoties

    • Overdreven gevoelig voor kritiek of afkeuring

    • Ongepast verleidelijk voorkomen of gedrag

    • Overdreven bezorgdheid over fysisch voorkomen

    • Behoefte om in het middelpunt van de belangstelling te staan(egocentrisme)

    • Lage tolerantie voor frustratie of uitgestelde beloning/voldoening

    • Snel wisselende gemoedstoestand, die op anderen oppervlakkig kan overkomen

    • Opvattingen worden gemakkelijk beÔnvloed door andere mensen, maar kunnen niet met details onderlegd worden.

    • Neiging om relaties intiemer te zien dan ze in werkelijkheid zijn.

    • Treft snelle beslissingen

    • Dreigen met zelfmoord of pogingen tot zelfmoord om aandacht te krijgen


    Kenmerken van de theatrale persoonlijkheidsstoornis

    • De theatrale persoonlijkheidstoornis word gekenmerkt door een patroon van overdreven emoties en het opeisen van aandacht, met inbegrip van overdreven behoefte aan goedkeuring, evenals ongepast verleidelijk gedrag, dat gewoonlijk in de jonge volwassenheid begint.

    • Het essentiŽle kenmerk van de theatrale persoonlijkheidsstoornis is een diep, overdreven patroon van emotionaliteit en aandacht opeisend gedrag. Personen met de stoornis zijn levendig, dramatisch, enthousiast en geneigd tot flirten.

    • Ze kunnen ongepast seksueel uitdagend zijn, sterke emoties op impressionistische wijze tot uitdrukking brengen, en ze laten zich gemakkelijk door anderen beÔnvloeden.


    De literatuur maakt een onderscheid tussen de geslachten.
    Vrouwen

    • Vrouwen met de theatrale persoonlijkheidstoornis worden beschreven als egocentrisch, genotzuchtig, en zeer afhankelijk van anderen. Ze zijn emotioneel labiel en klampen zich in hun onvolwassen relaties aan anderen vast. Vrouwen met de stoornis identificeren zich te sterk met anderen; ze projecteren hun eigen onrealistische, gefantaseerde intenties op mensen met wie ze te maken hebben.

    • Ze zijn emotioneel oppervlakkig en hebben problemen om zichzelf of anderen met enige diepgang te begrijpen. De keuze van huwbare of seksuele partners is vaak ongepast. De pathologie neemt toe met de mate van intimiteit in relaties.

    • Vrouwen met de stoornis kunnen ongepaste en intense boosheid uiten. Ze kunnen - als ťťn aspect van algemeen manipulatief interactief gedrag - op manipulatieve zelfmoorddreigingen terugvallen.

    Mannen

    • Mannen met de theatrale persoonlijkheidstoornis vertonen gewoonlijk identiteitsdiffusie, verstoorde relaties en impulsief gedrag. Ze hebben anti-sociale neigingen en zijn geneigd tot het exploiteren van fysische symptomen. Ze zijn emotioneel onvolwassen, dramatisch en oppervlakkig.


    Zowel mannen als vrouwen met de stoornis vertonen ongeremd gedrag. Mensen met de stoornis zijn gewoonlijk in staat om zowel sociaal als op hun werk op hoog niveau te presteren.

    Andere gegevens

    • De theatrale persoonlijkheidstoornis kan echter invloed hebben op sociale- of liefdesrelaties, en op het vermogen om verliezen of mislukkingen te aanvaarden. Mensen met deze stoornis zouden behandeling voor depressie kunnen zoeken wanneer hun liefdesrelaties eindigen, hoewel dat geenszins een typisch kenmerk van de stoornis is. Ze zijn vaak niet in staat om hun eigen situatie realistisch te zien en hebben neiging tot dramatiseren en overdrijven.

    • De verantwoordelijkheid voor mislukkingen of teleurstellingen wordt gewoonlijk op anderen afgeschoven. Ze kunnen vaak van werk veranderen, omdat ze gemakkelijk verveeld raken en moeilijk frustraties aankunnen. Doordat ze naar nieuwigheden en opwinding verlangen, zouden ze in riskante situaties kunnen terechtkomen. Al die factoren kunnen tot een grotere kwetsbaarheid voor depressies leiden.


    Oorzaken
    De oorzaak van de stoornis is niet bekend, maar het kan zowel erfelijk als door gebeurtenissen in de jeugd bepaald zijn. Het kom vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De theatrale persoonlijkheidstoornis wordt verhoudingsgewijs minder bij mannen dan bij vrouwen vastgesteld. Mannen met gelijkaardige symptomen worden meestal met de anti-sociale persoonlijkheidstoornis gediagnosticeerd. Er is weinig onderzoek verricht naar de biologische oorzaken van deze stoornis. Psychoanalytische theorieŽn schrijven het aan een verleidelijke of autoritaire houding van de vaders van deze patiŽnten toe.
    Terug naar A-B-C index

    PersoonlijkheidstheorieŽn
    Een theoretisch kader waarbinnen normaal en abnormaal gedrag en de mogelijkheden tot verandering van ongewenst gedrag (therapie) met elkaar in verband worden gebracht. Er zijn talrijke persoonlijkheidstheorieŽn. Hieronder worden vier van dergelijke benaderingen besproken.

    1. De psychoanalytische benadering van Sigmund Freud:
      Deze psychoanalytische benadering kan het best beschreven worden aan de hand van de vijf postulaten, waar hij van uitging: het genetische, structurele, dynamische, economische en topografische postulaat.
      Het genetisch postulaat veronderstelt het bestaan van een aantal algemene, biologisch bepaalde stadia in de psychoseksuele ontwikkeling, die van groot belang zijn voor het vormen van een stabiele persoonlijkheid ('orale fase, 'anale fase, 'fallische fase, 'latentieperiode en 'genitale fase). Volgens het structurele postulaat bestaat de psyche uit drie instanties (id, ego en superego), die voortdurend met elkaar in conflict zijn (dynamisch postulaat) en strijden om de beschikbare psychische energie (economisch postulaat). Volgens het topografisch postulaat moet een onderscheid gemaakt worden tussen psychische processen die al dan niet direct voor het bewustzijn toegankelijk zijn (onbewuste, bewust, voorbewuste), waarbij de onbewuste drijfveren het meest bepalend zouden zijn.

    2. De leertheoretische benadering gaat uit van het 'lege organisme', dat relaties legt tussen stimulus en respons ('behaviorisme). Het uitgangspunt is dat zowel normale als pathologische aspecten van de persoonlijkheid het gevolg zijn van leren, afleren en generalisatie van het geleerde gedrag naar andere stimuli. De persoonlijkheid ontstaat in deze visie door straf en beloning uit de omgeving.

    3. De cognitieve benadering werd o.m. voorgestaan door George A. Kelly (1905-1966). Hij stelde de mogelijkheden van de mens om zelf het eigen lot te bepalen centraal. Volgens hem is de mens geen robot die gestuurd wordt door jeugdervaringen of straf en beloning. De mens kan beter vergeleken worden met een wetenschapper. Dit wil zeggen dat de mens gebeurtenissen ervaart en evalueert. Aan de hand hiervan formuleerde hij bepaalde ideeŽn, 'constructen' genaamd, om deze gebeurtenissen te ordenen en onder controle te krijgen. De kernconstructen zijn de constructen die iemands identiteit en zijn voortbestaan bepalen.

    4. Van de humanistisch-fenomenologische benadering is Carl Rogers de belangrijkste vertegenwoordiger. Volgens hem ligt de kern van de persoonlijkheid in de mogelijkheid tot zelfhandhaving en zelfverwerkelijking (zelfactualisatie). De mens moet groeien van globaal naar gedifferentieerd, van afhankelijkheid naar onafhankelijkheid en van rigiditeit naar vrijheid van expressie. Abnormaal gedrag ontstaat wanneer de innerlijke behoefte aan groei geblokkeerd wordt.


    Zie ook: cognitieve therapie; gedragstherapie; psychoanalyse; Rogeriaanse therapie
    Terug naar A-B-C index

    Persoonlijkheidstrekken
    Duurzame eigenschappen die een persoonlijkheid in meer of minder sterke mate kan bezitten.

    1. De Amerikaanse psycholoog Gordon W. Allport (1897-1967) stelde een lijst samen met daarop 18.000 eigenschapsnamen. Dit illustreert de grote verscheidenheid aan termen waarmee persoonlijkheidsstrekken kunnen worden aangeduid. Een dergelijke veelheid aan termen is echter wetenschappelijk gezien onbruikbaar. Allport bracht daarom een ordening aan en onderscheidde gemeenschappelijke en individuele trekken. De eerste hebben betrekking op de eigenschappen die alle mensen met elkaar gemeen hebben, terwijl de individuele trekken, ofwel de persoonlijke dispositie, staan voor de eigenschappen die mensen onderling onderscheiden. De persoonlijke dispositie deelde Aliport verderop in kardinale, centrale en perifere disposities. De kardinale disposities, zoals dominantie of verlegenheid, vormen de kern van de persoonlijkheid: ieder mens heeft slechts enkele kardinale disposities; de centrale disposities zijn iets talrijker (5-1 0), maar minder belangrijk; de perifere disposities ten slotte bezit een mens veelvuldig en zij zijn meer afhankelijk van situaties.

    2. Een andere Amerikaanse psycholoog, Raymond B. Cattell (geb. 1905), probeerde met behulp van wiskundiige analyses (met name factoranalyse) te bepalen welke trekken in grote lijnen bij elkaar horen en dus teruggevoerd kunnen worden op dezelfde fundamentele karaktertrek. Hij kwam op deze manier tot zestien Ďbrontrekkkení (zoals: wel of niet intelligent; wel of geen zelfvertrouwen), die hij onderscheidde van de Ďoppervlaktetrekkení, die afhankelijk zijn van de situatie waarin zij optreden. Brutaliteit en vrijpostigheid komen bijvoorbeeld voort uit dezelfde brontrek, waarbij het gedrag in het geval van brutaliteit tegen personen met gezag is gericht en bij vrijpostigheid tegen vreemden.

    3. Een andere indeling is afkomstig van Hans JŁrgen Eysenck (1916-1997). Hij onderscheidde, eveneens met behulp van factoranalyse, twee gronddimensies: introversie tegenover extraversie en emotionaliteit tegenover stabiliteit (neuroticisme).

    4. De laatste jaren lijkt er echter een consensus te groeien dat de persoonlijkheid het best met behulp van vijf dimensies beschreven kan worden. Men spreekt in dit verband wel van de 'Big Five'. Deze dimensies hebben verschillende benamingen gekregen, maar staan in het Engels vrij algemeen bekend als:

      1. Surgency (dominant en extravert tegenover ondergeschikt en introovert).

      2. Agreeableness (warmhartig en vertrouwend tegenover koel en achterdochtig).

      3. Conscientiousness (betrouwbaar en georganiseerd tegenover onberekenbaar en chaotisch).

      4. Emotional Stability (zelfverzekerd en gelijkmatig tegenover nerveus en temperamentvol).

      5. Intellect of Openness (openstaand en nieuwsgierig tegenover gesloten en ongeÔnteresseerd).

    Terug naar A-B-C index

    Persoonlijkheidsverandering
    Veel hersenaandoeningen leiden niet alleen tot specifieke klachten, zoals een verlamming, maar ook tot verandering van karakter of persoonlijkheid.
    Hierbij worden de volgende types onderscheiden:
    Bij het labiele type is de stemming veranderlijk.
    Bij het ontremde type lukt het niet meer impulsen te beheersen, waardoor bijvoorbeeld seksuele indiscretie volgt.
    Het agressieve type reageert sneller kwaad.
    Het apathische type is onverschillig en onderneemt weinig.
    Het paranoÔde type wordt geregeerd door achterdocht.
    Ook combinaties van deze en andere klachten zijn mogelijk.
    Terug naar A-B-C index

    Pica
    De aanhoudende neiging om niet-eetbare dingen, bijvoorbeeld potloden of de inhoud van een asbak, te nuttigen. Dit kan onder andere voorkomen bij zwakzinnigheid. Een speciale vorm is geofagie.
    Terug naar A-B-C index

    Psyche
    De menselijke geest of ziel. Het woord is afgeleid van het Griekse psuchŤ, dat (levens)adem, leven, geest of ziel betekent. De psyche zou beschouwd kunnen worden als een verzameling van functies die door de hersenen worden uitgevoerd.
    psychedelica zie bewustzijnsverruimende middelen
    Terug naar A-B-C index

    Psychiater
    Medisch specialist die zich richt op de behandeling van psychiatrische ziekten, zoals depressies en schizofrenie. Hij maakt zowel gebruik van lichamelijke behandelingen, zoals het toedienen van medicijnen en elektroshocks, als van gesprekken met patiŽnten over hun levensmoeilijkheden. De opleiding tot psychotherapeut maakt onderdeel uit van de opleiding tot psychiater. Een psychiater kan zich ook zenuwarts noemen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychiatrie
    Een medisch specialisme dat zich richt op het herkennen en behandelen van psychische stoornissen. Deze kunnen zich op uiteenlopende wijzen manifesteren. Sommige betreffen vooral de stemming (depressie of manie), andere uiten zich in een gestoorde waarneming van de werkelijkheid (psychosen), weer andere treden op de voorgrond in relaties met medemensen (ongeremde agressie). De biologische psychiatrie is het specialisme dat zich voornamelijk richt op de processen in de hersenen die verantwoordelijk zijn voor de stoornissen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychiatrische instelling
    Instellingen waar patiŽnten met psychiatrische stoornissen voor behandeling terecht kunnen. Psychiatrische patiŽnten kunnen opgenomen worden in een psychiatrisch ziekenhuis of op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Daarnaast zijn er therapeutische gemeenschappen en centra voor dagbehandeling, waar de patiŽnten alleen overdag verblijven. Psychiatrische opnamen kunnen vrijwillig, maar ook gedwongen gebeuren; dit laatste bijvoorbeeld om hetzij de patiŽnt, hetzij zijn omgeving te beschermen. Ook biedt een opname de mogelijkheid een patiŽnt te onderzoeken op de oorzaken van een psychische stoornis en kan met een al dan niet lichamelijke behandeling (psychotherapie, psychofarmaca, elektroshocks) begonnen worden. De therapeutische gemeenschap is een samenlevingsvorm die het meest geschikt is voor patiŽnten die zich niet in een acute fase van een psychische stoornis bevinden; de behandeling is in de vorm van intensieve, langdurige, vooral psychotherapeutisch gerichte groepsbehandeling. De gedachte hierachter is dat een psychische stoornis kan verbeteren onder invloed van een goed leefklimaat. In de centra voor dagbehandeling wordt de opzet van de therapeutische gemeenschap gecombineerd met die van de traditionele psychiatrische ziekenhuizen. Het voordeel van de dagbehandeling is dat de patiŽnt niet geheel uit zijn milieu en de maatschappij geÔsoleerd wordt.
    Terug naar A-B-C index

    Psychisch gehandicapt
    Een met het oog op het Europese jaar van mensen met een handicap (2003) in beleidsstukken populair geworden term voor (ex)psychiatrische patiŽnten. Het voordeel van de term is dat hij benadrukt dat mensen met een psychiatrisch verleden vaak extra middelen en aanpassingen nodig hebben om mee te kunnen draaien in de maatschappij. Het woord handicap moet het bovendien mogelijk maken een beroep te doen op de overheidsgelden voor mensen met een handicap, om uit een maatschappelijk isolement te treden. Behalve psychisch gehandicapt wordt ook de term psychiatrisch gehandicapt gebruikt, maar onder betrokkenen lijkt deze term te stigmatiserend gevonden te worden.
    Terug naar A-B-C index

    Psychisch trauma

    1. Psychische beschadiging door een pijnlijke of angstaanjagende gebeurtenis, die de persoon plotseling overkomt en die hij niet kan verwerken; bijvoorbeeld een ongeluk of een bomexplosie. De eerste reactie daarop is een shock, daarna kan een traumatische neurose ontstaan, een meestal tijdelijke, neurotische reactie op normale gebeurtenissen, die gepaard gaat met angstaanvallen, schrikachtigheid en angstdromen waarin de traumatische gebeurtenis opnieuw wordt beleefd. Bij een reeds neurotische persoonlijkheid kan het effect zeer langdurig zijn met name door een te lage weerstand tegen traumaís.

    2. In de psychoanalyse is een trauma elke ervaring in de vroege jeugd waardoor het kind gefrustreerd wordt in de bevrediging van behoeften, bijvoorbeeld het spenen, het zindelijk moeten worden, het gefrustreerd worden in de erotische verlangens naar de ouder van het andere geslacht of een plotselinge scheiding van de ouders. In de regel ontwikkelt het ego voldoende afweermechanismen om deze conflicten de baas te worden. Onvoldoende verwerking van een trauma laat een zwakke plek achter in de psychische constitutie en daardoor kan bij een actuele aanleiding gemakkelijk een neurose ontstaan.

    Terug naar A-B-C index

    Psychische energie
    In het dagelijks spraakgebruik een vage, meestal figuurlijk gebruikte term. Er wordt mee aangeduid, of zogenaamd verklaard, dat iemand langdurig met iets bezig kan zijn of zich doelbewust en gemotiveerd gedraagt. In deze zin is psychische energie min of meer synoniem met even vage termen als vitaliteit en levenslust. Vaak wordt het begrip gesteld tegenover lichamelijke energie. Het onderscheid is echter niet exact te bepalen. Als psychologische term stamt psychische energie uit de 19e eeuw en is hij ontleend aan het natuurwetenschappelijk model van de fysische energie. De wetten die hierop van toepassing zijn, zouden ook moeten gelden voor de psychische energie. Dit is het meest uitgewerkt door Sigmund Freud in de psychoanalytische theorie, waarin de term libido of libidinale energie wordt gebruikt.
    Terug naar A-B-C index

    Psychische stoornis
    Algemene term voor gedragsstoornissen van allerlei aard, die door de omgeving en/of door de persoon zelf als afwijkend en ongewenst worden ervaren. Hieronder vallen zowel stoornissen in specifieke functies, zoals denken en waarnemen, alsmede stoornissen van geheel andere aard, bijvoorbeeld onaangepast gedrag, emotionele problemen en gokverslaving of de neiging brand te stichten. De psychische stoornissen kunnen niet opgevat worden als echte ziektebeelden, omdat er nog te weinig bekend is over oorzaak, verloop en prognose van de verschillende aandoeningen. Het enige dat de wetenschap op dit moment kan doen, is het beschrijven van de symptomen die vaak tegelijkertijd voorkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychische stoornis, organische en functionele
    Een psychische stoornis die ontstaat door een lichamelijk ziekteproces wordt aangeduid als organisch, terwijl van functionele stoornissen geen lichamelijke oorzaak te vinden is. De organische stoornissen kunnen een groot aantal verschillende vormen aannemen: persoonlijkheidsveranderingen, hallucinaties, denkstoornissen, stemmingsstoornissen, dissociatie en angstaanvallen. De oorzaak is dat de hersenwerking wordt aangetast door een ziekteproces, zoals stofwisselingsstoornissen, vergiftigingen, hoofdwonden, infecties of medicijngebruik. De functionele stoornissen daarentegen missen deze duidelijke oorzaken. Toch is het de laatste jaren zeer duidelijk geworden dat ook functionele psychische stoornissen gepaard gaan met een subtiele ontregeling van de normale werking van de hersenen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychoactieve middelen
    Ook psychotrope middelen. Alle stoffen die stemming, bewustzijn of gewaarwordingen beÔnvloeden. Het is een zeer algemene term, omdat in feite vrijwel ieder voedingsmiddel invloed heeft op iemands geestelijke gesteldheid. Zo kan de inname van suiker leiden tot een grotere alertheid. Andere psychoactieve middelen zijn bijvoorbeeld alcohol, drugs en psychofarmaca.
    Terug naar A-B-C index

    Psychoanalyse

    1. Naam voor de psychologische theorie die werd opgesteld door Sigmund Freud en zijn volgelingen. Het doel is de werking van de menselijke geest te beschrijven en te verklaren. Een van de belangrijkste uitgangspunten is dat de mens een gelaagd wezen is. Aan de ene kant wordt de mens voortgedreven door instinctieve driften, zoals de behoefte aan seks, maar aan de andere kant staat het geweten, dat de driften intoomt. De instinctieve wensen zijn vaak niet toegankelijk voor het bewustzijn, maar bepalen toch mede het gedrag. De volgende freudiaanse verspreking geeft een onschuldig voorbeeld. Een voorzitter zegt bij het begin van een vergadering: 'Hiermee verklaar ik de vergadering voor gesloten'. Volgens Freud is dit niet zomaar een vergissing, maar een uiting van de wens dat de zinloze vergadering alvast voorbij zou zijn. De wens treedt naar buiten zonder dat de persoon dit wilde. Iets soortgelijks zou ook gebeuren bij psychische stoornissen, het maken van grappen en bij dromen. De menselijke persoonlijkheid heeft de taak een tussenweg te vinden, zodat zowel de driften worden bevredigd als het geweten tevreden wordt gesteld. Dit is volgens Freud een vrijwel onmogelijke opgave en in zijn ogen is eigenlijk iedereen in meer of mindere mate geestelijk geestoord.

      Kernbegrippen in de psychoanalyse zijn onder meer: onbewust, voorbewust en bewust; orale fase, anale fase en genitale fase; droominhoud, manifeste en latente en droomsymboliek; id, ego en superego; lustprincipe en realiteitsprincipe; afweermechanisme, libido en oedipuscomplex.

    2. Naam voor de behandelingsmethode die gebaseerd is op de psychologische theorie van Freud. Het belangrijkst voor mensen met een psychische stoornis is dat zij zich bewust worden van de achtergronden van hun gedrag. Een beter inzicht in het eigen verleden en driftleven werkt genezend.

    Terug naar A-B-C index

    Psychoanalyticus Een gediplomeerd psychotherapeut die zijn patiŽnten op een freudiaanse wijze behandeld. De patiŽnt wordt de analysant genoemd.
    Terug naar A-B-C index

    Psychodiagnostiek
    De tak van de psychologie die zich bezig houdt met het vaststellen van wat er aan de hand is met individuen of groepen. Als het gaat om individuen, kan vastgesteld worden aan welke psychische stoornis iemand lijdt, maar ook welke persoonlijkheidskenmerken iemand heeft, hoe intelligent hij is, hoe hij omgaat met zijn emoties, enz. De diagnostiek van groepen kan beetrekking hebben op kleine groepen als een echtpaar of een gezin. Er kan dan bijvoorbeeld gekeken worden of de onderlinge relaties harmonieus zijn of op welke manier omgegaan wordt met conflicten. De diagnostiek kan zich ook richten op een groot geheel als een bedrijf. Hier kan dan bepaald worden of de communicatie goed is en of er voldoende promotiemogelijkheden voor personeel zijn.

    De psychodiagnostiek wordt op vijf verschillende praktijkvelden beoefend:
    1) de klinische psychologie en gezondheidspsychologie
    2) de onderwijspsychologie
    3) de arbeids- en organisatiepsychologie
    4) de beroepskeuzepsychologie
    5) de neuropsychologie.
    Terug naar A-B-C index

    Psychodrama
    Een vorm van groepstherapie waarbij de verschillende leden door middel van rollenspelen hun persoonlijke problemen moeten uitbeelden. Hierdoor zou iemand zijn oorspronkelijke spontaniteit weer terug kunnen vinden en zijn moeilijkheden te boven kunnen komen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychodynamische therapieŽn
    De psychotherapieŽn die uitgaan van de veronderstelling dat veel emotionele en gedragsstoornissen voortvloeien uit innerlijke conflicten. Deze kunnen niet zonder meer opgelost worden, omdat een deel van de erbij betrokken verlangens, gevoelens en gewetenseisen zich aan de bewuste zelfwaarneming onttrekt of onbewust is. De belangrijkste exponent van de psychodynamische benadering is de oorspronkelijk door Sigmund Freud ontwikkelde psychoanalytische therapie. Deze is erop gericht de cliŽnt een beter inzicht te doen krijgen in zijn innerlijk leven en de oorzaak van zijn stoornissen. Naast deze individuele therapie zijn er ook vormen van partner-, gezins- en groepstherapie. De analytische psychotherapie van Carl Gustav Jung is ook een vorm van individuele psychodynamische therapie, evenals de Individual psychotherapie van Alfred Adler. Beiden waren aanvankelijk bij de psychoanalytische psychotherapie van Freud betrokken, maar zij zijn voor verschillende aspecten tot afwijkende interpretaties gekomen. Ook de non-directieve of client-centered vormen van psychotherapie (Rogeriaanse therapie) zijn uit het psychodynamische standpunt voortgekomen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychofarmaca
    Medicijnen die werkzaam zijn in het brein en die gevolgen hebben voor de menselijke geest. De komst van deze medicijnen heeft de psychiatrie ingrijpend veranderd. Zo kunnen bijvoorbeeld veel mensen met schizofrenie die vroeger opgesloten moesten worden in een gesticht, nu poliklinisch behandeld worden. De psychofarmaca worden beschouwd als ťťn van de grootste verworvenheden van de moderne geneeskunde. De werkzaamheid van deze medicijnen is erop gebaseerd dat zij ingrijpen op de prikkeloverdracht tussen zenuwen. Belangrijke voorbeelden van psychofarmaca zijn de antipsychotica, 'antidepressiva, tranquillizers en anxiolytica. Bij de werking van verreweg de meeste psychofarmaca moeten drie belangrijke kanttekeningen gemaakt worden. De eerste is dat ze geen genezing brengen. Ze kunnen weliswaar de symptomen onderdrukken, maar de ziekte blijft bestaan. De tweede is dat de werking van psychofarmaca vaak niet blijvend is en dat de symptomen op den duur weer terug kunnen komen. Tot slot zijn de bijwerkingen op lichaam (zoals droge mond, misselijkheid, bevingen) en geest (zoals verlies van initiatief, prikkelbaarheid, hallucinaties) vaak aanzienlijk.
    Terug naar A-B-C index

    PsycholinguÔstiek
    Ook wel taalpsychologie genoemd. Tak van de wetenschap die de taal bestudeert als een onderdeel van het menselijk gedrag. Binnen dit gebied werken psychologen en linguÔsten (taalwetenschappers) samen. De naam psycholinguÔstiek is pas sinds de jaren vijftig in zwang geraakt. De theoretische basis voor de psycholinguÔstiek is afkomstig van de theorie van Noam Chomsky over de transformationeel-generatieve grammatica. Met name de denkbeelden over taalcompetence (taalbegrip, taalvermogen) en taal performance (taalgebruik) bieden een aantrekkelijk kader voor experimenteel onderzoek.
    Terug naar A-B-C index

    Psychologie
    Letterlijk zielkunde. In de meest ruime zin kan psychologie worden opgevat als het streven van de mens om zichzelf en zijn medemens te leren kennen en begrijpen. Zo gezien is de psychologie waarschijnlijk even oud als de mensheid. Lange tijd was psychologie nagenoeg identiek met filosofie, die naar waarheid en wijsheid zocht omtrent al het bestaande, inclusief de mens. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw, toen de natuurwetenschappen al een hoge vlucht hadden genomen, werd de psychologie tot een afzonderlijke wetenschap, die zich belastte met het onderzoek van het menselijk bewustzijn. In overeenstemming met de onder invloed van de natuurwetenschap gewijzigde denkbeelden over wetenschappelijkheid, werd de psychologie toen een empirische of ervaringswetenschap, dat wil zeggen dat de ideeŽn van de onderzoekers systematisch getoetst werden via daartoe ontworpen methoden.
    In het begin van de 20e eeuw voltrok zich nogmaals een ingrijpende verandering. De nogal teleurstellende resultaten van de 19e-eeuwse bewustzijnspsychologie gaven aanleiding tot een andere taakomschrijving. De psychologie zou zich niet langer richten op het bewustzijn, maar op het gedrag: de observeerbare en registreerbare uitingen van, en processen in het organisme. Dit gezichtspunt heeft tot op heden standgehouden, hoewel tegenwoordig ook de bewustzijnsprocessen weer als een rechtmatig terrein van psychologisch onderzoek zijn gaan gelden. De hedendaagse psychologie kan dan ook omschreven worden als de wetenschap die speurt naar de determinanten van menselijk gedrag.
    Terug naar A-B-C index

    Psychologisch krachtveld
    Ook psychologisch veld. Begrip uit de veldtheorie van de Duits-Amerikaanse psycholoog Kurt Lewin (1890-1947). Hierin wordt het menselijk gedrag beschreven als iets dat plaatsvindt in een psychologisch veld, van waaruit positieve en negatieve (aantrekkende en afstotende) krachten op het individu inwerken en de richting van zijn gedrag bepalen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychologisch selectieonderzoek
    Onderzoek dat in de bedrijfspsychologie gedaan wordt bij de selectie van personeel. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van psychologische methoden. In de praktijk blijken er verschillende vormen van selectieonderzoek plaats te vinden, die allemaal een zelfde grondpatroon hebben. Vrijwel altijd bestaat het onderzoek uit ťťn of meer gesprekken (interviews) met de kandidaat, en het afnemen van een aantal psychologische tests, waarvan de totale duur kan variŽren van een halve tot een hele werkdag. Voor het samenstellen van het onderzoeksprogramma baseert de psycholoog zich op een functieomschrijving. Hij kiest daarbij tests die afgestemd zijn op het type functie (bijvoorbeeld technisch, commercieel) en op het niveau van de functie (bijvoorbeeld middelbaar, hoger). De uitkomsten van de tests en de beoordelingen uit de gesprekken worden daarna gecombineerd tot een geschiktheidprognose en deze wordt aan de opdrachtgever gerapporteerd.
    Terug naar A-B-C index

    Psychologische functieleer
    Psychologische functieleer zie Psychonomie

    Psychologische test
    Een systematische meetprocedure met het doel een uitspraak te doen over bepaalde gedragskenmerken. Een testresultaat van een proefpersoon wordt altijd beoordeeld in vergelijking met dat van andere mensen. Een psychologische test meet dus verschillen tussen mensen. Naarmate de procedure objectiever en meer gestandaardiseerd is en de testscores beter genormeerd en betrouwbaarder zijn en een hogere voorspellende waarde hebben voor toekomstig gedrag, verdient de procedure meer de naam van test. Globaal worden psychologische tests ingedeeld in tests naar het prestatieniveau en persoonlijkheidstests. Deze tests worden toegepast bij selectie voor beroep of opleiding, adviezen bij bijvoorbeeld school- en beroepskeuze, klinische diagnostiek en therapie. Psychologische tests vormen de oudste toepassing van de psychologie: ze worden sinds het begin van de 20e eeuw gebruikt.
    Terug naar A-B-C index

    Psycholoog
    Iemand die psychologie heeft gestudeerd, maar de titel psycholoog is niet wettelijk beschermd in Nederland, dus ook mensen zonder opleiding mogen zich psycholoog noemen. Een psycholoog heeft geen medische achtergrond en is niet bevoegd tot het geven van lichamelijke behandelingen, zoals de toediening van medicijnen.
    Terug naar A-B-C index

    Psycholoog NIP
    Deze titel is ingesteld door de beroepsvereniging van psychologen (NIP), toen de wettelijke bescherming van de titel psycholoog wegviel. Een psycholoog NIP heeft een universitaire opleiding in de psychologie afgerond en enige werkervaring, maar hoeft geen specialisatie te hebben.
    Terug naar A-B-C index

    Psychometrie
    Ook wel psychometrica genoemd. Tak van de psychologie die zich bezighoudt met het getalsmatig beschrijven van (aspecten van) het menselijk functioneren. Daarbij wordt vaak gebruik gemaakt van wiskundige modellen. De psychometrie heeft bijvoorbeeld gepoogd een complex begrip als intelligentie te vangen in een intelligentiequotiŽnt.
    Terug naar A-B-C index

    Psychomotorische therapie
    Vorm van psychotherapie waarbij men via verschillende bewegingstechnieken tracht zich meer bewust te worden van het eigen lichaam en de lichaamstaal. De psychomotorische therapie moet niet verward worden met de medische bewegingstherapie, waarvan het doel is de motoriek zelf te verbeteren. De cliŽnt wordt bij de therapie bijvoorbeeld aangemoedigd om boosheid of angst in gebaren uit te drukken om te onderzoeken hoe hij zich in emotionele bewegingen kan uiten. In Amerika is de psychomotorische therapie rond 1970 als afzonderlijke therapie ontwikkeld door o.a. Albert Pesso. Ze wordt eveneens toegepast als onderdeel van andere vormen van psychotherapie.
    Terug naar A-B-C index

    Psychoneurose

    1. Een 'neurose die Freud op grond van de wijze waarop zij ontstaat, onderscheidde van de actuele neurose. Deze psychische stoornis zou in twee stappen tot stand komen. De infantiele psychoseksuele ontwikkeling is niet optimaal doorlopen en daardoor is een zwakke plek ontstaan in de psyche van het individu. Deze zwakke plek komt vervolgens vele jaren later aan het licht als het individu geconfronteerd wordt met de volwassen seksualiteit. Hij kan dit niet verwerken en ontwikkelt neurotische symptomen.

    2. Het woord psychoneurose wordt ook gebruikt als synoniem voor neurose om te benadrukken dat de klachten geen organische oorsprong hebben.

    Terug naar A-B-C index

    Psychoneuro-endrocrinologie
    Tak van wetenschap die de relaties bestudeert tussen de menselijke geest, de hersenen en het hormonale stelsel. Het blijkt bijvoorbeeld dat een verstoorde hormonale balans kan leiden tot stemmingsstoornissen. Het verbeteren van de balans zorgt in de regel ook voor stemmingsverbetering. Andersom kan een stemmingsstoornis de hormonale huishouding in de war sturen. Psychotherapie die leidt tot stemmingsverbetering, brengt ook de hormonen in de regel weer op orde.
    Terug naar A-B-C index

    Psychonomie
    Ook psychologische functieleer. Een tak van de psychologie die op zoek is naar de wetmatigheden waaraan het menselijk functioneren voldoet. Het gaat daarbij o.a. over waarneming, denken, geheugen, leren, liegen, taalgebruik, herkenning van personen, enz. De psychonomie lijkt door haar voortdurende speurtocht naar algemeen geldende wetten op de natuurwetenschappen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychopaat/Psychopathie
    Psychopathie

    1. Ook sociopathie. Term die in 1891 door de Duitse psychiater Koch werd geÔntroduceerd. In de psychiatrie werd hij veelvuldig gebruikt, maar de term was in wezen slecht omschreven en dekte nogal uiteenlopende ladingen. De verschillende definities van psychopathie hebben evenwel steeds betrekking op mensen, die hun innerlijke conflicten uitleven in de buitenwereld. Tegenwoordig wordt de voorkeur gegeven aan de termen dissociale of anti- sociale persoonlijkheidsstoornis boven de term psychopathie.

    2. Juristen bedoelen met psychopaten: delinquenten die een aparte strafrechtelijke behandeling vereisen, omdat zij een delict begaan hebben wegens gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van hun geestvermogens. Hiertoe behoren bijvoorbeeld mensen die door ernstige zwakzinnigheid of een psychotische toestand tot een misdrijf komen.

    Terug naar A-B-C index

    Psychopathische persoonlijkheidsstoornis
    Ook genoemd: antisociale, asociale, dissociale persoonlijkheidsstoornis en sociopathische persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door onverantwoordelijk en sociaal onaangepast gedrag. De persoon houdt totaal geen rekening met de gevoelens en rechten van anderen. Het lukt hem niet langdurig relaties te onderhouden, hoewel het aanknopen van relaties geen probleem is. De persoon kan tegenslagen slecht verdragen en wordt snel agressief.
    Terug naar A-B-C index

    Psychopathologie
    Letterlijk: ziekteleer van de geest. De psychopathologie onderzoekt de oorzaken, de symptomen en het verloop van psychische stoornissen. De grens tussen normaal en gestoord functioneren is vloeiend, en ook binnen het gebied van ernstige en langdurige stoornissen is geen duidelijke indeling in ziektebeelden mogelijk. Bij de beschrijving van symptomen gaat men meestal na welke psychische functies gestoord zijn. Er kunnen hierbij de volgende categorieŽn onderscheiden worden: bewustzijn, oriŽntatie, ik-besef, waarneming, denken, geheugen, stemming en gevoelens, driftimpulsen, willen en handelen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychose

    1. Een psychische stoornis waarbij het denken en het emotionele beleven ernstig ontregeld is. De persoon beleeft zichzelf en de buitenwereld op een afwijkende manier. Stoornissen in de beleving van de buitenwereld kunnen leiden tot 'hallucinaties en 'wanen; stoornissen van de innerlijke belevingswereld tot desintegratie van de persoonlijkheid en diepe apathie. Traditioneel worden psychische ziekten ingedeeld in neurosen en psychosen, waarbij het kenmerkende verschil is dat het contact met de werkelijkheid bij neurotici nog intact is. Dit betekent echter niet dat psychotici per definitie meer zouden lijden dan neurotici.

    2. In bredere zin verwijst de term psychose naar alle ernstige vormen van psychisch afwijkend functioneren. In plaats van psychose spreken veel psychiaters liever van een psychotische stoornis.

    Terug naar A-B-C index

    Psychoseksuele ontwikkeling, ook wel Seksuele ontwikkeling
    De verandering in de seksualiteitbeleving gedurende het leven. Volgens de psychoanalytische theorie van Sigmund Freud is het kind al direct na de geboorte een seksueel wezen. Volgens hem wordt de seksuele ontwikkeling gekenmerkt door een opeenvolging van de orale fase, de anale fase, de fallische fase, de latentieperiode en ten slotte de genitale fase in de puberteit. Binnen de psychoanalyse wordt gesproken van de driftontwikkeling.
    Terug naar A-B-C index

    Psychose, organische en niet-organische
    Organische psychosen hebben een lichamelijke oorzaak, zoals een hersentumor, jarenlang overmatig alcoholgebruik en vormen van dementie. Bij niet-organische of functionele psychosen, bijvoorbeeld schizofrenie en autisme, is geen lichamelijke oorzaak aanwijsbaar. De indeling in organisch en niet-organisch heeft een beperkte waarde, omdat de laatste jaren duidelijk is geworden dat biologische factoren ook een belangrijke rol spelen bij de niet organische psychosen.
    Terug naar A-B-C index

    Psychosociale stadia
    De stadia in de psychosociale ontwikkeling van de mens. De bekendste theorie, die van de Amerikaanse psychoanalyticus Erik H. Erikson, onderscheidt tussen geboorte en dood een aantal afgebakende perioden in de interactie tussen individu en sociale omgeving, waarin steeds andere conflicten overwonnen moeten worden. Een succesvol doorlopen van deze stadia versterkt het gevoel van persoonlijke identiteit.
    Terug naar A-B-C index

    Psychosomatisch
    lichamelijke klachten met een veronderstelde psychische oorzaak. Een meer neutrale benaming voor dit soort aandoeningen is somatoforme stoornis, omdat die de oorzaak van de klachten meer in het midden laat. Het gaat om medisch onbegrepen klachten.
    Terug naar A-B-C index

    Psychostimulantia
    De farmacologische benaming voor amfetaminen. Deze geneesmiddelen kunnen gebruikt worden ter bestrijding van bepaalde vormen van sterke motorische onrust, aanndachtstekortstoornis met hyperactiviteit en narcolepsie. Een verlichting van depressies wordt niet bereikt door deze middelen. Het gebruik ervan als eetlustremmer of prestatieverhoger wordt beschouwd als misbruik.
    Terug naar A-B-C index

    Psychosynthese
    Vorm van psychotherapie, ontwikkeld door de Italiaanse psychiater Roberto Assaagioli (1888-1974) als een aanvulling op de psychoanalyse. Assagioli was een leerling van Freud, maar hij achtte diens psychoanalyse slechts een begin van de therapie. Daarna moet de persoon zich de zin van zijn bestaan in het heden bewust worden en een nieuwe eigen identiteit opbouwen. Volgens Freud zou deze reconstructie van de persoonlijkheid vanzelf verlopen. In Amerika is de psychosynthese bekend geworden als ťťn van de therapieŽn die streven naar psychische groei of zelfactualisatie.
    Terug naar A-B-C index

    Psychotherapeut
    Iemand die de basisopleiding tot psychotherapeut met goed gevolg heeft afgerond. Meestal zal dit een psychiater of een psycholoog zijn, maar ook pedagogen, sociologen, maatschappelijk werkers, filosofen en theologen laten zich tot psychotherapeut scholen. Psychotherapeut is een beschermd beroep, dat wil zeggen dat niet iedereen zich zo mag noemen. Een psychotherapeut is dan ook gebonden aan de ethische regels van zijn beroep.
    Terug naar A-B-C index

    Psychotherapie
    Elke vorm van psychologische behandeling van psychische stoornissen. Het toedienen van medicijnen of elektroshocks valt hier dus niet onder. Psychotherapie krijgt gestalte in gesprekken tussen therapeut en cliŽnt, maar dit is niet de enige methode die aangewend wordt. Er wordt soms ook gebruik gemaakt van hypnose en ontspanningsoefeningen. Er bestaan zeer veel verschillende vormen van psychotherapie, die ieder een eigen invalshoek hebben. De bekendste is de psychoanalyse, die zich vooral richt op het achterhalen van onbewuste motieven en wensen. Andere stromingen graven minder diep in de psyche van de patiŽnt.

    Uit onderzoek is gebleken dat psychotherapie in ongeveer 70% van de gevallen een positief effect heeft. Dit getal is vergelijkbaar met het succespercentage van medische ingrepen bij lichamelijke kwalen, maar een deel van de positieve resultaten is het gevolg van spontaan herstel. Opvallend is bovendien dat het weinig uitmaakt welke vorm van therapie wordt toegepast. Het genezende effect van psychotherapie wordt kennelijk niet primair bepaald door de gebruikte technieken, maar veeleer door niet-specifieke factoren, zoals de persoonlijkheid van de therapeut en de aandacht die aan de problemen besteed wordt. Tevens schept het beginnen met een behandeling nieuwe hoop en krijgt de cliŽnt het idee dat hij begrijpt wat er aan de hand is. Dit maakt de bestaande problemen beter hanteerbaar.
    Terug naar A-B-C index

    Psychotherapie, provocatieve
    Een kleine splinter in therapeutenland, die afziet van de gebruikelijke ondersteunende, en begrijpende houding van de psychotherapeut. In plaats daarvan probeert de therapeut vanuit een welmenende grondhouding te provoceren. De problemen van de cliŽnt worden bijvoorbeeld op karikaturale wijze uitvergroot, zodat de cliŽnt zichzelf tegen deze voorstelling van zaken gaat verzetten. Het probleem wordt zo kleiner en beter hanteerbaar. Een andere techniek van de therapeut is steeds zijpaden in te slaan, zodat de cliŽnt gedwongen wordt de regie van het gesprek te voeren. De provocaties lijken ervoor te zorgen dat de cliŽnt zijn doel niet kan bereiken, zodat de cliŽnt als het ware des te harder zal werken om dat ondanks de therapeut toch te doen.
    Terug naar A-B-C index

    Psycho-
    Voorvoegsel dat gebruikt wordt om aan te geven dat het over de menselijke geest of psyche gaat.
    Terug naar A-B-C index

    Psycho-educatie
    Een vorm van behandeling die gericht is op het geven van informatie over een aandoening, zodat de betrokkene en zijn familie beter leren omgaan met de beperkingen en handicaps die de ziekte met zich meebrengt. Doel van de behandeling is niet genezen, maar ervoor zorgen dat de symptomen en kwetsbaarheid het dagelijks leven zo min mogelijk verstoren.
    Terug naar A-B-C index

    Ratio
    De kwantitatieve aanduiding voor de verhouding tussen twee verwante grootheden. Een voorwaarde hierbij is dat de waarden die grootheden kunnen aannemen getalsmatig uitgedrukt kunnen worden. De deling van de functies van beide grootheden moet dan een vast getal (de ratio) opleveren, ongeacht de gebruikte meetschaal.
    Terug naar A-B-C index

    Rationalisatie
    Rechtvaardiging van gedrag door er andere, meer rationele redenen dan de werkelijke voor aan te voeren. In de psychoanalyse geldt rationalisatie als een afweermechanisme, waarmee het ego sociaal onaanvaardbare impulsen aanvaardbaar tracht te maken, zodat gevoelens van schuld of schaamte vermeden worden, en het zelfrespect gehandhaafd blijft. Een voorbeeld hiervan is de vader die zijn kind slaat, omdat dat goed is voor diens opvoeding.
    Terug naar A-B-C index

    Rationalisme
    Een vrij vage aanduiding voor een aantal filosofische of wereldbeschouwelijke systemen waarin op de een of andere manier de rede (Latijn: ratio) centraal staat. Deze stroming heeft grote invloed gehad op de psychologie en kan beschouwd worden als een tegenhanger van het empirisme. Men kan een onderscheid maken tussen het psychologisch, metafysisch en wereldbeschouwelijk rationalisme.
    De geestelijke vader van het psychologisch rationalisme was Renť Descartes (1596-1650). Descartes ging ervan uit dat de mens beschikte over aangeboren ideeŽn. Daaronder verstond Descartes bepaalde voorstellingen en begrippen die door God bij de schepping van de mens als het ware in diens bewustzijn waren ingeplant. Daartoe behoorden elementaire wiskundige voorstellingen, bepaalde logische beginselen en metafysische intuÔties (zoals: 'Ik denk, dus ik besta'). Niet alle kennis hoeft dus door ervaringen verworven te worden. De goedheid van God had ervoor gezorgd dat er een correspondentie bestond tussen de aangeboren ideeŽn en de werkelijkheid.

    Het metafysisch rationalisme ziet de werkelijkheid als een volstrekt verstandelijk, doorzichtig en gestructureerd geheel. Bekende mensen die deze gedachte hebben aangehangen, zijn Baruch de Spinoza, Gottfried Wilhelm Leibniz, Christian Wolff en Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

    Het wereldbeschouwelijk rationalisme ten slotte ziet de rede, resp. de wetenschap, als het enige instrument ter verwerving van kennis en menselijk geluk. De rede staat in deze samenhang tegenover de openbaring door een autoriteit of het geloof. Ruimer geÔnterpreteerd komt men dit uitgangspunt overal in de 18e eeuw tegen, meestal gecombineerd met een optimistisch vooruitgangsgeloof. Een be langrijke naam is o.a. Voltaire, die een typische vertegenwoordiger was van de Ďverlichtingí.
    Terug naar A-B-C index

    Rationaliteit
    Een der mogelijke uitgangsprincipes van menselijk handelen, met als essentiŽle component de logica. De Duitse socioloog Max Weber onderscheidde twee vormen van rationaliteit: de zgn. waarderationaliteit (handelen op basis van bepaalde waarden of principes, ongeacht de praktische gevolgen) en doelrationaliteit (het logisch tegen elkaar afwegen van doelen, middelen en neveneffecten).
    Terug naar A-B-C index

    Rationeel-emotieve therapie
    (RH) Een vorm van psychotherapie, zoals die ontwikkeld werd door de Amerikaan Albert Ellis. Rationeel is bij hem alles dat bijdraagt tot een groter welzijn en geluk, daarbij rekening houdend met de beperkingen van het menselijk leven. Het irrationele vergroot daarentegen het leed. Volgens Ellis kan ieder mens zelf kiezen tussen rationeel en irrationeel en daarmee zelf beslissen over het eigen geluk. De taak van de therapeut is de cliŽnt een klein opstapje te geven, zodat deze zelf rationele keuzen kan maken. De cliŽnt moet zichzelf leren helpen, voor zichzelf op te komen en zelfvertrouwen te krijgen. Essentieel voor de therapie is dat de nieuw verworven ideeŽn niet alleen in gedachten worden gevormd, maar dat de cliŽnt zich er tevens naar gaat gedragen. De oorspronkelijk verlegen cliŽnt moet bijvoorbeeld niet alleen zeggen dat dit gevoel voorbij is, maar zich ook daadwerkelijk brutaal gedragen. Het doel van de therapie is niet alleen dat de cliŽnt zich beter voelt, maar zich tevens beter gedraagt.
    Terug naar A-B-C index

    Receptor

    1. Zenuwcel die in staat is te reageren op prikkels uit de buitenwereld of uit het lichaam en die deze kan omzetten in een elektrisch signaal dat naar het centrale zenuwstelsel wordt geleid. Receptoren zijn verantwoordelijk voor de informatievoorziening van het organisme, zodat het in staat is zich aan te passen aan de omgeving en te overleven. Prikkeling van een receptor kan leiden tot een reflex en/of een gewaarwording. Een belangrijke eigenschap van de meeste receptoren is dat zij specifiek zijn. Dit wil zeggen dat prikkeling van een receptor altijd tot eenzelfde soort gewaarwording leidt. De stimulatie van een receptor in het netvlies zal bijvoorbeeld altijd de indruk geven dat er licht gezien wordt. Dit kan iemand zelf uitproberen door lichte druk op de oogbollen uit te oefenen.

      De receptoren kunnen op verschillende manieren in groepen ingedeeld worden.

      • Ten eerste bestaat er een onderscheid tussen exteroceptoren, die waarnemingen doen buiten het lichaam (horen, zien, tasten, ruiken, proeven), en interoceptoren, die waarnemingen vanuit het lichaam rapporteren.

      • Een andere indeling van receptoren is gebaseerd op hun specifieke gevoeligheid. De mechanoreceptoren reageren op prikkels zoals druk, vervorming en trillingen. Dit speelt een rol bij de tast, het horen en de proprioceptie (de waarneming van de stand van het lichaam). De chemoreceptoren reageren op chemische stoffen. Zij zijn belangrijk bij de interoceptie, het ruiken en de smaakwaarneming. De thermoreceptooren reageren op koude en warmte, en de nociceptoren op pijnprikkels. De fotoreceptooren tenslotte zijn betrokken bij het zien.

      • Een laatste onderscheid dat gemaakt wordt, is dat tussen algemene en complexe receptoren. De algemene ofwel simpele receptoren komen verspreid over het lichaam voor. Zij nemen warmte, koude, druk, trillingen en pijn waar. De complexe ofwel speciale receptoren zijn geconcentreerd op enkele plaatsen in het lichaam. Zij zijn onder andere betrokken bij het zien, horen, tasten, ruiken en proeven.

    2. Een plaats op het uiteinde van een zenuwuitloper (dendriet) die gevoelig is voor specifieke chemische stoffen. Deze receptoren spelen onder andere een rol bij de prikkeloverdracht tussen zenuwen in chemische synapsen, omdat zij neurotransmitters aan zich kunnen binden. De neurotransmitter en haar receptor passen bij elkaar als een sleutel en een slot. Wanneer de neurotransmitter zich bindt aan de receptor, verandert er direct of indirect iets in de ionenkanalen van de ontvangende cel; zij gaan open of dicht. Hierdoor veranderen de elektrische eigenschappen van de ontvangende cel en dit prikkelt of remt de zenuwcel. De reactie op de transmitter is afhankelijk van het soort receptor en niet van het soort neurotransmitter. Zo is het bekend dat de neurotransmitter acetylcholine (ACh) voor een prikkeling zorgt in contacten met de lichaamsspieren, maar voor een afremming van de hartspier. Dit komt doordat de lichaamsspieren en het hart op de contactplaats met zenuwen andere Ach-receptoren hebben.

    3. De organen die onder invloed staan van hormonen, beschikken eveneens over specifieke receptoren voor deze stoffen, zodat zij hierop kunnen reageren.

    4. De herkenningszone van een aantal cellen die actief zijn in het afweersysteem. De receptor is een soort sleutel die past bij ťťn specifiek antigeen. Hierdoor is de cel in staat een specifieke ziekteverwekker te herkennen en onschadelijk te maken.

    Terug naar A-B-C index

    REM-slaap
    Ook paradoxale slaap genoemd. REM is de afkorting van rapid eye movements, ofwel snelle oogbewegingen. Tijdens de REM-slaap gaan de ogen af en toe snel heen en weer achter gesloten oogleden, terwijl zij de overige tijd langzame bewegingen laten zien. Slaaponderzoekers denken dat tijdens de REM-slaap gedroomd wordt. Dit blijkt als proefpersonen gewekt worden uit hun slaap. Als dit gebeurt in een ander slaapstadium dan de REM-slaap, herinneren zij zich slechts in zo'n 10% van de gevallen een droom, terwijl er na het wekken tijdens de REM-slaap in 80-90% van de gevallen sprake is van een droomherinnering. De oogbewegingen zijn waarschijnlijk geen eenduidig verschijnsel. Zij worden voor het grootste deel veroorzaakt door de hersenstam, maar daarnaast vinden ook geÔsoleerde oogbewegingen plaats, die mogelijk uit de hersenschors voortkomen. Verondersteld wordt dat de oogbewegingen die uit de hersenstam voortkomen, niet veroorzaakt worden door de droominhoud, maar de geÔsoleerde oogbewegingen wel.

    Gedurende de REM-slaap laat het EEG (elektro-encefalogram) een snelle frequentie van hersengolven zien, met een geringe uitslag. Dit wijst op een verhoogde geestelijke activiteit. Andere verschijnselen die in dit slaapstadium optreden, zijn een onregelmatige hartslag en ademhaling, een verhoogde doorbloeding van de geslachtsdelen die bij mannen resulteert in een erectie en de afwezigheid van spieractiviteit in het lichaam. Men spreekt in dit verband zelfs van slaapverlamming.

    De REM-slaap wordt ook wel paradoxale slaap genoemd, aangezien de geest, gezien het patroon op het elektro-encefalogram, wakker lijkt, terwijl de slaper toch moeilijk te wekken is. Nog een andere benaming is D-slaap, omdat de hersengolven in dit slaapstadium hun regelmatig karakter verliezen; ze zijn met een ander woord desynchroon.
    Terug naar A-B-C index

    Representatie
    Een weerspiegeling van iets dat werkelijk bestaat. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe representaties. De interne representatie is een beeld in het hoofd over iets in de buitenwereld en de externe representatie is bijvoorbeeld een foto, een geschreven woord, een tekening of een andere weergave. Er bestaan twee belangrijke theorieŽn op het gebied van representaties. De analoge theorie veronderstelt dat het brein beschikt over aparte representaties voor de verschillende waarnemingsmodaliteiten: geluiden, visuele beelden, geuren, bewegingen en dergelijke. De propositionalisten daarentegen geloven dat er een algemene, abstracte mentale code bestaat waar alle waarnemingsmodaliteiten in ingepast kunnen worden. Er bestaan ook theorieŽn die beide aanpakken combineren.
    Terug naar A-B-C index

    Sadisme
    Het (seksueel) plezier hebben aan of genoegen beleven aan het opzettelijk (seksueel) pijn doen of vernederen van een andere persoon. In strikte zin gaat het hier om genotsbeleving aan de macht die de Ďsadistí heeft ten opzichte van haar/zijn Ďslachtofferí. Een verkrachter is dikwijls een sadist: meer uit op de macht dan de daadwerkelijke seksuele daad. Als er door deze parafilie grote problemen ontstaan tussen de sadist en de omgeving, kan er sprake zijn van een psychische aandoening.
    Terug naar A-B-C index

    Sedativa
    Psychofarmaca met een algemeen remmende werking op het centraal zenuwstelsel. De kalmerende werking kan zorgen voor een angstreductie en ook wordt het in- en doorslapen bevorderd. De bijwerkingen zijn aanzienlijk. Er ontstaat sufheid en een verminderd reactievermogen. Ook de motorische functies gaan achteruit. De sedativa zijn daardoor als angstonderdrukkers vrijwel verdrongen door de moderne anxiolytica, waarmee angstreductie wordt bereikt met minder bijwerkingen. Onderdeel van de sedativa zijn de barbituraten.
    Terug naar A-B-C index

    Seizoengebonden depressieve stoornis
    Een depressieve stoornis, die op vaste tijdstippen in het jaar de kop opsteekt. Een voorbeeld is de winterdepressie.
    Terug naar A-B-C index

    Seks, Sex

    Sekseverschillen
    Het mannelijke en het vrouwelijke brein maken onder invloed van geslachtshormonen een licht verschillende ontwikkeling door. Dit begint al in de baarmoeder en leidt ertoe dat er vrij duidelijke verschillen bestaan in het patroon van de intellectuele vaardigheden van mannen en vrouwen. De algemene intelligentie verschilt echter niet. De verschillen lijken samen te hangen met een verder doorgevoerde specialisatie van de hersenhelften bij mannen. Mannen blijken zich hierdoor beter ruimtelijk te kunnen oriŽnteren, zijn beter in wiskunde, kunnen gemakkelijker een eenvoudig figuur in een complex patroon terugvinden en zijn nauwkeuriger bij de uitvoering van doelgerichte motorische handelingen, zoals het gooien van pijltjes. Hier staat tegenover dat vrouwen beter kunnen rekenen, sneller kunnen waarnemen welke objecten verplaatst zijn, beter kunnen zien welke twee plaatjes hetzelfde zijn en beter zijn bij fijne motorische handelingen met de handen, zoals het plaatsen van een pinnetje in een gat in een bord. Bovendien kunnen vrouwen gemakkelijker woorden opnoemen als hieraan bepaalde eisen zijn verbonden, bijvoorbeeld dat zij allemaal met dezelfde letter moeten beginnen. Hoewel het mogelijk is dat een individuele man of vrouw uitblinkt op het terrein waarop het andere geslacht doorgaans beter presteert, maakt het in het algemeen uiteenlopende patroon van vaardigheden het min of meer logisch dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in sommige beroepen waar ruimtelijk inzicht een belangrijke rol speelt. Maar dit betekent niet dat de achterstand van vrouwen in de maatschappij hiermee verklaard is. Op grond van het beter ontwikkelde vermogen van vrouwen om nauwkeurig waar te nemen, zou men bijvoorbeeld verwachten dat vrouwen een belangrijker rol zouden spelen in medisch-diagnostische beroepen, waar deze vaardigheid zeer belangrijk is.
    Terug naar A-B-C index

    Seksisme
    Het maken van een onderscheid in de behandeling van mannen en vrouwen op grond van hun geslacht. De term wordt meestal gebruikt als sprake is van een onterechte achterstelling van vrouwen.
    Terug naar A-B-C index

    Sekstherapie
    Een vorm van psychotherapie waarbij het voornaamste doel is problemen in het seksueel functioneren te verhelpen. Mannen vragen meestal om sekstherapie als zij problemen hebben om hun erectie lang genoeg in stand te houden om tot een bevredigende coÔtus te komen, terwijl vrouwen vooral last hebben van een onvermogen orgasmes te bereiken. De sekstherapie wordt gedomineerd door de aanpak zoals die in de jaren zestig is ontwikkeld door William Masters en Virginia Johnson. Binnen deze aanpak wordt de cliŽnt in de eerste plaats goed geÔnformeerd en wordt aangeraden een andere houding ten opzichte van seks aan te nemen. Daarnaast leert de cliŽnt zijn aandacht anders te richten. Het voortdurend in de gaten houden van de eigen gevoelens blijkt bijvoorbeeld een negatief effect te hebben. Tot slot krijgt de cliŽnt huiswerkoefeningen mee. Binnen dit min of meer algemene stramien bestaan er overigens veel variaties in de manier waarop sekstherapie wordt gegeven.
    Terug naar A-B-C index

    Seksualiteit Belevingsschaal
    (SBS) Deze psychologische test meet vier aspecten van seksuele beleving: seksuele beheersingsmoraal (verwerpen versus aanvaarden), psychoseksuele stimulatie (toelaten versus afweren van symbolische seksuele stimulatie), seksuele motivatie (toewendingstendentie versus vermijdingstendentie) en attractie tot het eigen huwelijk (laag versus hoog). De test kan individueel of groepsgewijs worden afgenomen en kan ook gebruikt worden bij proefpersonen die (nog) geen seksuele relatie hebben.
    Terug naar A-B-C index

    Seksueel masochisme -> masochisme

    Seksueel sadisme -> sadisme

    Seksuele afwijking -> parafilia

    Seksuele deviatie -> parafilia

    Seksuele ontwikkeling
    Ook psychoseksuele ontwikkeling. De verandering in de seksualiteitbeleving gedurende het leven. Volgens de psychoanalytische theorie van Sigmund Freud is het kind al direct na de geboorte een seksueel wezen. Volgens hem wordt de seksuele ontwikkeling gekenmerkt door een opeenvolging van de orale fase, de anale fase, de fallische fase, de latentieperiode en ten slotte de genitale fase in de puberteit. Binnen de psychoanalyse wordt gesproken van de driftontwikkeling.
    Terug naar A-B-C index

    Seksuele stoornis
    Een aantal verschillende problemen met het seksleven. Zij kunnen betrekking hebben op een ontbrekend verlangen naar seks, het niet opgewonden raken, het onvermogen orgasmes te krijgen of pijn tijdens het vrijen. Ook kan er een enorme afkeer bestaan van seks, zoals bij de seksuele aversiestoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Seksuele symboliek
    Het geven van een seksuele betekenis aan voorwerpen of gebeurtenissen. Veelvuldig toegepast in de psychoanalytische interpretatie van dromen, dagdromen, kunstuitingen en folklore. Puntige en scherpe voorwerpen (mes, slang) zijn hierin symbolische voorstellingen van de penis, en worden ook wel fallische symbolen genoemd. Ronde en zachte voorwerpen (bal) of uitgeholde voorwerpen (vaas, huis) stellen de vagina voor. CoÔtus kan in allerlei activiteiten worden gesymboliseerd, zoals de kamer in en uitlopen, traplopen en paardrijden. De functie van een symbool is volgens deze theorie het onbewust houden van de werkelijke betekenis, omdat die te bedreigend zou zijn voor het ego.
    Terug naar A-B-C index

    Selectieve aandacht
    Het reageren van een organisme op slechts een deel van de aangeboden prikkels. Een organisme beschikt over een beperkt vermogen om informatie op te nemen en te verwerken, terwijl het aan een groot aantal prikkels is blootgesteld, die zowel van externe (van buiten het organisme) als van interne (vanuit het organisme zelf) aard zijn. Er kan niet op alle prikkels worden gereageerd, dus moet er geselecteerd worden. Deze selectieve gerichtheid wordt ook wel attentie genoemd.
    Terug naar A-B-C index

    Selectieve serotonine-heropnameremmers
    (SSRI, selective serotonine reuptake inhibiitors) Een groep antidepressiva die ingrijpt in het transportsysteem van serotonine in het brein en daardoor zorgt voor een langduriger beschikbaarheid van deze neurotransmitter. De bekendste is fluoxetine (Prozac). Bijwerkingen zijn onder andere misselijkheid, hoofdpijn, seksuele disfunctie en zenuwachtigheid.
    Terug naar A-B-C index

    Selectieve serotonine-noradrenaline-heropnameremmers
    (SSNRI, selective serotonine norepinephrine reuptake inhibitors) Medicatie die zowel de heropname remt van de neurotransmitters serotonine en noradrenaline. Dit gebeurt zowel met de klassieke tricyclische antidepressiva als het nieuwere middel venlafaxine (Effexor), een non-tricyclisch middel. Bijwerkingen zijn onder andere prikkelbaarheid, misselijkheid, duizeligheid, slaperigheid en seksuele disfunctie.
    Terug naar A-B-C index

    Self-fulfilling prophecy
    Letterlijk een zichzelf waarmakende voorspelling. Een idee van de werkelijkheid dat eenmaal heeft postgevat, hoeft op zich misschien niet juist te zijn, om toch uit te komen. Neem bijvoorbeeld een student die gelooft dat hij een examen niet zal halen. Deze voorspelling kan uitkomen, doordat de student zeer zenuwachtig wordt en niet meer efficiŽnt werkt. Dit zakken was echter niet nodig gezien de intellectuele vermogens van de student. De Amerikaanse socioloog Robert King Merton, de bedenker van de term, meende dat hiermee veel verschijnselen verklaard kunnen worden. Stel bijvoorbeeld dat werkgevers menen dat leden van de etnische minderheden lui zijn. Zij zullen dan geen leden van etnische minderheden aannemen. Dit heeft tot gevolg dat de minderheden vaak werkeloos zijn en daardoor zullen zij lui gevonden worden.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie
    Een ernstige, bij ongeveer 1 % van de bevolking voorkomende psychiatrische stoornis die gekenmerkt wordt door wanen, hallucinaties, onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en verward denken. Daarbij komen symptomen als het afvlakken van het gevoelsleven, spraakarmoede en gebrekkige wilskracht. De hallucinaties zijn vaak auditief; minder vaak voorkomend zijn hallucinaties met betrekking tot zien, ruiken, proeven of tasten. PatiŽnten kunnen stemmen horen die tegen elkaar praten of een stem die voortdurend commentaar geeft op wat de patiŽnt doet. De wanen kunnen betrekking hebben op anderen die de persoon kwaad willen doen. Betrekkingswanen komen ook regelmatig voor, waarbij de patiŽnt denkt dat alles om hem draait. De televisie kan speciale boodschappen voor de patiŽnt hebben of het gevoel bestaat dat anderen voortdurend over de patiŽnt spreken. De persoon heeft regelmatig het gevoel dat zijn intieme gedachten en gevoelens bij anderen bekend zijn of onder invloed van derden staan. Opvallend in het denken is dat de gedachten worden beheerst door zaken die schijnbaar irrelevant zijn. Ook is sprake van cognitieve afwijkingen, zoals een mindere algemene intelligentie, een verminderd concentratievermogen en slechtere selectieve aandacht. Gedrag is vaak onvoorspelbaar, de zelfverzorging schiet tekort en de manier van kleden kan onaangepast zijn.

    De stoornis begint bij mannen meestal aan het einde van de tienerjaren of in het begin van de twintig. Bij vrouwen iets later dan bij mannen. Vaak is hieraan een prodromale fase vooraf gegaan waarin de persoon zich teruggetrokken of zonderling begon te gedragen en minder initiatiefrijk was.
    Het verloop van de stoornis is, net als de symptomen, tamelijk variabel. Het is mogelijk dat de ziekte verdwijnt en dat de persoon voor een groot deel herstelt. Veel vaker komt het voor dat de persoon op een lager niveau blijft functioneren en met enige regelmaat last heeft van terugkeer van de symptomen. Tot slot is het mogelijk dat iemand steeds verder achteruit gaat. Schizofrenie ontstaat waarschijnlijk door de interactie van omgeving en aanleg. Genetische factoren spelen daarbij een rol, maar bijvoorbeeld ook factoren als complicaties tijdens de geboorte of besmetting met een virus tijdens de embryonale ontwikkeling. Het is de combinatie van kwetsbaarheid en overbelasting die schizofrenie lijken uit te lokken. Slecht moederschap wordt niet meer gezien als oorzaak van schizofrenie.
    Terug naar A-B-C index

    Schizoaffectieve stoornis
    Een stoornis waarbij zowel de kenmerken van schizofrenie als van stemmingsstoornissen opvallen. Beide stoornissen treden tegelijkertijd, of vlak na elkaar binnen dezelfde ziekte-episode op. De stemming kan zowel manisch als depressief zijn, en beide stemmingsvarianten kunnen elkaar ook afwisselen. De wanen verdwijnen in de regel bij het normaliseren van de stemming.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrene resttoestand
    Een stoornis waarbij de persoon na het hebben van een vorm van schizofrenie voor lange tijd min of meer vrij is van hallucinaties en wanen, maar waarbij de persoonlijkheid duidelijk is aangetast. De persoon neemt weinig initiatief, de gevoelsbeleving is arm en er is sprake van een algemene traagheid.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, dopaminehypothese voor
    De veronderstelling is dat schizofrenie veroorzaakt wordt door een absoluut of relatief overschot aan dopamine in bepaalde delen van de hersenen. Er zijn verschillende observaties die pleiten voor deze hypothese. Zo blijken de symptomen van schizofrenie geremd te worden door de zogenaamde 'neuroleptica, die de receptoren voor dopamine in de hersenen blokkeren. Een aanvullend verschijnsel is dat psychosen veroorzaakt kunnen worden door stoffen die dopamine vrijmaken, zoals amfetaminen en cocaÔne. Tot slot komt de ziekte van Parkinson (die veroorzaakt wordt door een tekort aan dopamine) nooit tegelijkertijd voor met schizofrenie. Dit soort observaties is echter te mager om vast te stellen dat de oorzaak van schizofrenie in de dopamine huishouding ligt. Het lijkt echter wel duidelijk dat dopamine een rol speelt bij het ontstaan van schizofrene symptomen, maar ook andere neurotransmitters als serotonine en glutaminezuur doen dat.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, floride en negatieve symptomen
    Floride of positieve symptomen zijn heftige, acute symptomen. Bij schizofrenie zijn de hallucinaties, wanen en chaotisch gedrag en denken het meest opvallend. De negatieve symptomen komen met name naar voren als de storm van de psychose is uitgeraasd. De persoon kan dan zeer traag zijn, weinig activiteit en initiatief vertonen en een afgevlakt gevoelsleven hebben. Daarbij komen vaak een spaarzame spraak, slechte zelfverzorging en weinig contact met medemensen. De negatieve symptomen zijn vaak moeilijker te behandelen dan de positieve.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, hebefrene
    Een vorm van schizofrenie waarbij de emotionele veranderingen het meest opvallend zijn. Het gedrag is onvoorspelbaar en lijkt doel en gevoel te missen. De stemming is vlak en past niet bij de situatie. De wilskracht is vaak ernstig aangetast. De persoon kan van de wereld afgekeerd zijn en in zichzelf lopen te glimlachen of giechelen. Het denken mist organisatie, maar stabiele uitgewerkte wanen en hallucinaties komen niet voor. Het gaat eerder om losse fragmenten. Het taalgebruik is onsamenhangend met vreemde gedachtesprongen en heeft weinig inhoud.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, hersenafwijkingen bij
    PatiŽnten met schizofrenie blijken minder 'grijzeí stof in hun hersenen te hebben, wat op scans van het brein met name zichtbaar is door de vergroting van de met vocht gevulde hersenkamers (ventrikels). Daarnaast zijn de zenuwcellen in de frontaalkwab en hippocampus kleiner dan normaal. Op deze en op enkele andere plaatsen is bovendien het aantal contactplaatsen tussen zenuwcellen ('synaps) kleiner. De frontaalkwab is gemiddeld ook minder actief dan bij gezonde personen (hypofrontaliteit). Ook zijn er afwijkingen in het EEG bij de reactie op onverwachte prikkels.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, katatone
    Een vorm van schizofrenie waarbij vooral een duidelijke invloed op de motoriek merkbaar is. Zonder behandeling kan de patiŽnt soms zelfs maandenlang dezelfde houding aanhouden (stupor). Dit gaat vaak geepaard met een onvermogen te spreken (mutisme). Ook zijn episoden met sterk verhoogde lichamelijke activiteiten mogelijk. Zij kunnen een gevaar opleveren voor de persoon zelf of voor anderen. De katatone verschijnselen kunnen samengaan met een droomachtige toestand met levendige hallucinaties.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, ongedifferentieerde
    Een vorm van schizofrenie die niet in een van de meest voorkomende subtypen past. Er is met andere woorden sprake van een atypische (ongewone combinatie) van schizofrene symptomen.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, paranoÔde
    De meest voorkomende vorm van schizofrenie. Het denken van de persoon wordt beheerst door stabiele en meestal achterdochtige wanen. Er is vaak sprake van het horen van stemmen, andere hallucinaties en verstoringen van de waarneming. Hier staat tegenover dat de stoornissen van de emotionele beleving, wilskracht, bewegingen en spraak relatief gering zijn. De persoon kan het waandenkbeeld hebben dat hij van hoge komaf is, dat zijn lichaam is veranderd of dat hij achtervolgd wordt. De gehallucineerde stemmen kunnen de patiŽnt bedreigen of opdrachten verstrekken. De andere hallucinaties hebben meestal betrekking op geuren of smaken. Visuele hallucinaties zijn zelden overheersend.
    Terug naar A-B-C index

    Schizofrenie, procesmatige en reactieve
    Twee vormen van 'schizofrenie die door sommige theoretici onderscheiden worden. De procesmatige schizofrenie is ontstaan zonder dat daar een externe oorzaak voor aangewezen kan worden. De reactieve schizofrenie is een reactie op moeilijke levensomstandigheden en duurt in de regel ook korter (tot enkele maanden). De laatstgenoemde vorm wordt ook aangeduid als een acute schizofrene episode.
    Terug naar A-B-C index

    SchizoÔde
    Een term met sterk uiteenlopende betekenissen.

    1. 1) Soms wordt het gebruikt als aanduiding voor schizofreen.
    2. 2) Een andere keer gaat het om iets dat wel wat weg heeft van 'schizofrenie, maar waarbij de patiŽnt het contact met de werkelijkheid niet heeft verloren.
    3. 3) De meest gebruikelijke betekenis is tegenwoordig als verkorte aanduiding voor een 'schizoÔde persoonlijkheidsstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    SchizoÔde persoonlijkheidsstoornis
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een koele afstandelijkheid en een vervlakt gevoelsleven. Kritiek of lof raakt de schizoÔde persoonlijkheid schijnbaar niet. De persoon beleeft (bijna) nergens plezier aan en heeft weinig interesse in seks. Warme relaties met medemensen ontbreken en worden niet gemist. De persoon doet dingen het liefst in zijn eentje en leeft in een eigen fantasiewereld. Hij houdt opvallend weinig rekening met hoe het hoort.
    Terug naar A-B-C index

    Schizophrenia simplex
    Een stoornis waarbij zonderling gedrag langzaam steeds erger wordt. Wanen en hallucinaties treden niet duidelijk op en de patiŽnt ontwikkelt steeds meer negatieve symptomen. De persoon kan in landloperij vervallen en volledig door zichzelf in beslag worden genomen.
    Terug naar A-B-C index

    Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
    Ook borderline of latente schizofrenie genoemd. Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door vreemd gedrag en waarbij het denken en de gevoelswereld overeenkomsten vertonen met die van schizofrenie. Er wordt echter nooit voldaan aan alle eisen die noodzakelijk zijn voor de diagnose schizofrenie. De stoornis is meestal blijvend, hoewel schommelingen in de mate van ernst voorkomen.
    Terug naar A-B-C index

    Schuldgevoel
    Het besef een ethische en/of sociale regel te hebben overtreden, dat vaak met een neiging tot boetedoening en een verlaging van de zelfwaardering gepaard gaat. In de psychoanalytische theorie wordt het begrip schuldgevoel vooral gebruikt als het gaat om onbewuste schuldgevoelens, ontstaan in een conflict tussen 'ego en 'superego (het geweten). Het ego laat dan driftige impulsen toe die voor het superego onaanvaardbaar zijn.
    Terug naar A-B-C index

    Sociale fobie Ook antropofobie. Een fobie waarbij de angst met name gericht is op het contact met mensen buiten de eigen familiekring. Deze stoornis gaat vaak gepaard met een geringe zelfwaardering en hevige angst voor kritiek of afkeurende blikken. Een sociale fobie kan beperkt zijn tot zeer specifieke situaties, zoals de angst voor het spreken in het openbaar of naar de wc gaan op kantoor, maar kan ook betrekking hebben op vrijwel alle contacten met medemensen.
    Terug naar A-B-C index

    Somatisatie
    Een afweermechanisme waarbij psychische problemen worden opgelost met behulp van het lichaam. Een vrouw die geen zin heeft om te vrijen, kan bijvoorbeeld hoofdpijn krijgen. Dit gebeurt niet bewust. De somatisatie wordt beschouwd als een ongezonde manier om emotionele problemen op te lossen.
    Terug naar A-B-C index

    Somatisatiestoornis
    Herhaaldelijk terugkerende lichamelijke klachten, waarvoor geen lichamelijke oorzaak aan te wijzen is. Het beeld begint voor het dertigste levensjaar en is ernstig. In de loop van het ziektebeeld is sprake van minstens vier verschillende pijnklachten, twee klachten die verband houden met het maagdarmkanaal, zoals misselijkheid en diarree, ťťn seksueel symptoom en een schijnbaar neurologische klacht, zoals spierzwakte, ongevoeligheid of coŲrdinatie problemen. De symptomen kunnen niet toegeschreven worden aan een bekende ziekte of zijn veel erger dan op grond van het onderliggende ziektebeeld te verwachten is. De patiŽnt laat zich echter niet geruststellen en komt vaak na jaren 'dokteren' bij een psychiater terecht.
    Terug naar A-B-C index

    Somatische waan
    Een waan die betrekking heeft op het eigen lichaam. Het kan zijn dat het lijkt alsof een bepaald lidmaat niet bij het eigen lijf hoort, of juist dat een lidmaat ontbreekt. Een ander voorbeeld is het idee van patiŽnten met anorexia nervosa dat zij te dik zijn, terwijl zij in werkelijkheid broodmager zijn.
    Terug naar A-B-C index

    Somatoforme stoornis
    Een verzamelnaam voor stoornissen waarbij lichamelijke klachten optreden, zonder dat er sprake is van een organisch defect. De kwalen hebben waarschijnlijk een psychische oorzaak. Mogelijk worden normale lichamelijke symptomen op een verkeerde manier geÔnterpreteerd en beleefd. Lange tijd heeft men gedacht dat de betrokkenen onverschillig staan tegenover hun eigen symptomen, maar in werkelijkheid nemen zij hun klachten even serieus als personen die hetzelfde probleem hebben vanwege een duidelijk ziektebeeld. De klachten zijn op een subjectief niveau echt.
    Soms zijn de somatoforme klachten te herkennen, omdat zij een onlogische combinatie vormen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een verlamming die niet de patronen van zenuwbanen volgt. De somatoforme stoornissen zijn somatisatiestoornis, ongedifferentieerde somatoforme stoornis, conversiestoornis, hypochondrie, pijnstoornis en stoornis in de lichaamsbeleving. Somatoforme stoornissen komen vaak voor in combinatie met andere psychische stoornissen zoals angststoornissen, stemmingsstoornissen of persoonlijkheidsstoornissen.
    Terug naar A-B-C index

    Ongedifferentieerde somatoforme stoornis
    Een aandoening waarbij sprake is van een of meer lichamelijke klachten, die medisch niet te verklaren zijn en waarschijnlijk een psychische oorsprong hebben. Het kan bijvoorbeeld gaan om problemen bij het plassen, vermoeidheid of misselijkheid. Het beeld is niet zo ernstig als bij een somatisatiestoornis. Bij onverklaarde pijn spreekt men van een pijnstoornis, bij onverklaarde neurologische klachten van een conversiestoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Conversie
    Het omzetten van psychische problemen in lichamelijke aandoeningen. De symptomen kunnen bijvoorbeeld zijn: de verlamming van bepaalde lichaamsdelen, ongevoeligheid, bevingen, pijn, doofheid, blindheid, overgeven, hikken, onbeheersbare lichaamsbewegingen, evenwichtsstoornissen en problemen bij het slikken. Er wordt alleen van conversie gesproken als er geen organische oorzaak aanwezig is. Binnen de psychoanalyse wordt conversie opgevat als een compromisformatie.
    Terug naar A-B-C index

    Conversiestoornis
    Een psychische stoornis waarbij de persoon uitvalsverschijnselen heeft die aan een neurologische aandoening of een andere ziekte doen denken. Het gaat dan om uitval van de motoriek of van de zintuiglijke waarneming (ook tast). De symptomen worden voorafgegaan door stress of conflicten en lijken een psychische oorsprong te hebben. De symptomen zijn niet bewust voorgewend. De oorzaak van de klachten is mogelijk een ontregeling van de aandacht, zoals blijkt uit een abnormale P300 golf op de Ďevoked-relatedí hersenpotentialen. Zie ook: somatoforme stoornis
    Terug naar A-B-C index

    Pijnstoornis
    Een aandoening waarbij sprake is van medisch onverklaarbare pijnklachten, die waarschijnlijk een psychische oorsprong hebben. De klacht is ernstig genoeg om het functioneren te beperken. De pijnstoornis is acuut als zij korter dan zes maanden aanwezig is en chronisch bij een langere duur.
    Terug naar A-B-C index

    Stoornis in de lichaamsbeleving
    Een preoccupatie met een niet of nauwelijks aanwezige onvolkomenheid in het uiterlijk. De stoornis is ernstig genoeg om het dagelijks functioneren te bedreigen. Deze mensen wenden zich vaak tot plastisch chirurgen, maar dit kan hen niet helpen. Ze blijven ontevreden met het resultaat.
    Terug naar A-B-C index

    Somatogeen versus psychogeen
    Met somatogeen worden psychische of lichamelijke stoornissen aangeduid die door lichamelijke oorzaken zijn ontstaan; met psychogeen: lichamelijke of psychische stoornissen die door psychische oorzaken (bijvoorbeeld emotionele problemen) zijn ontstaan. Voor lichamelijke ziekten met psychische stoornissen als oorzaak wordt de term psychosomatische ziekten gebruikt.
    Terug naar A-B-C index

    Stemming
    Een gevoelstoestand die ervaringen kleurt en gewoonlijk geruime tijd aanhoudt. De stemming wordt onderscheiden van een emotie, omdat de laatste van korte duur is en op een bijzonder object (persoon, situatie of gebeurtenis) betrekking heeft. Met het woord affect wordt weer een nog kortere, heftige emotionele reactie bedoeld. Stemmingen variŽren van opgewekt tot depressief; men spreekt van stemmingsstoornissen indien de stemming zonder duidelijke oorzaken langdurig verhoogd of verlaagd is.
    Terug naar A-B-C index

    Stemmingscongruentie-effect
    Het verschijnsel dat de waarneming en ook de opname van nieuwe informatie in het geheugen beÔnvloed wordt door iemands stemming. Een vrolijk gestemd individu zal vooral de prettige aspecten van een voorval waarnemen en zich later herinneren, terwijl een kwaad persoon vooral ergerlijke details opmerkt en onthoudt. Een verdrietig persoon heeft vooral oog voor de treurige kant van de zaak.
    Terug naar A-B-C index

    Stemmingsstoornis
    Ook affectieve stoornis. Een stoornis waarbij vooral het gevoelsleven ontregeld is. Meestal is hierbij sprake van een terneergeslagen stemming, maar soms is ook sprake van een overdreven opgetogenheid of euforie. Een verlaging van de stemming gaat doorgaans samen met een vermindering van het aantal activiteiten en met een verlaging van de snelheid waarmee bewegingen uitgevoerd worden. Andersom zal een stemmingsverhoging het activiteitenniveau verhogen, waarbij ook prikkelbaarheid en rusteloosheid kunnen optreden. Stemmingsstoornissen zijn vaak periodiek, wat wil zeggen dat zij tijdelijk verdwijnen en later weer de kop opsteken. Stemmingsstoornissen kunnen psychisch van oorsprong zijn, maar ook veroorzaakt worden door middelengebruik of lichamelijke ziekten.

    Zie ook: bipolaire stoornis; cyclothyme stoornis; depressie; dysthyme stoornis; hypomanie; manie.
    Terug naar A-B-C index

    Stoornis, beperking en handicap
    Een veel gebruikte onderverdeling voor het in kaart brengen van de gevolgen van een ziekte.
    Het begrip stoornis verwijst naar de directe gevolgen, dus de veranderingen in structuur of functie. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om doofheid, een halfzijdige verlamming, psychische afwijkingen of afgestorven hersencellen.
    De beperking verwijst naar de gevolgen van de stoornis voor het dagelijks leven, zoals niet meer kunnen telefoneren of winkelen.
    De beperking heeft gevolgen voor sociale relaties en iemands plaats in de maatschappij. Dit is de handicap, bijvoorbeeld op het gebied van werk, gezin of vrijetijdsbesteding.
    Terug naar A-B-C index

    Theatrale persoonlijkheidsstoornis
    Ook wel de histrionische persoonlijkheidsstoornis. (Eng: histrionic personality)
    Een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door overdreven dramatisch gedrag. De persoon heeft wisselende stemmingen, maakt gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht te trekken, is ongepast verleidelijk en trekt graag de aandacht. In de directe omgeving wekt dit gedrag vaak veel irritatie, omdat het een onwaarachtige indruk maakt. De theatrale persoonlijkheid voelt deze afwijzing en neemt vaak zijn toevlucht tot nog dramatischer gedrag, wat echter alleen maar meer irritatie oproept.

    Deze stoornis heeft een aantal overeenkomsten met de borderline persoonlijkheidsstoornis. Personen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis kunnen namelijk ook zeer heftig reageren op bepaalde (zelfs onbelangrijke) dingen; van heel vrolijk tot bijna hysterisch.

    Symptomen van de theatrale persoonlijkheidsstoornis

    • het voortdurend zoeken naar geruststelling of goedkeuring

    • Overdreven dramatisch en overdreven expressie van emoties

    • Overdreven gevoelig voor kritiek of afkeuring

    • Ongepast verleidelijk voorkomen of gedrag

    • Overdreven bezorgdheid over fysisch voorkomen

    • Behoefte om in het middelpunt van de belangstelling te staan(egocentrisme)

    • Lage tolerantie voor frustratie of uitgestelde beloning/voldoening

    • Snel wisselende gemoedstoestand, die op anderen oppervlakkig kan overkomen

    • Opvattingen worden gemakkelijk beÔnvloed door andere mensen, maar kunnen niet met details onderlegd worden.

    • Neiging om relaties intiemer te zien dan ze in werkelijkheid zijn.

    • Treft snelle beslissingen

    • Dreigen met zelfmoord of pogingen tot zelfmoord om aandacht te krijgen


    Kenmerken van de theatrale persoonlijkheidsstoornis

    • De theatrale persoonlijkheidstoornis word gekenmerkt door een patroon van overdreven emoties en het opeisen van aandacht, met inbegrip van overdreven behoefte aan goedkeuring, evenals ongepast verleidelijk gedrag, dat gewoonlijk in de jonge volwassenheid begint.

    • Het essentiŽle kenmerk van de theatrale persoonlijkheidsstoornis is een diep, overdreven patroon van emotionaliteit en aandacht opeisend gedrag. Personen met de stoornis zijn levendig, dramatisch, enthousiast en geneigd tot flirten.

    • Ze kunnen ongepast seksueel uitdagend zijn, sterke emoties op impressionistische wijze tot uitdrukking brengen, en ze laten zich gemakkelijk door anderen beÔnvloeden.


    De literatuur maakt een onderscheid tussen de geslachten.
    Vrouwen

    • Vrouwen met de theatrale persoonlijkheidstoornis worden beschreven als egocentrisch, genotzuchtig, en zeer afhankelijk van anderen. Ze zijn emotioneel labiel en klampen zich in hun onvolwassen relaties aan anderen vast. Vrouwen met de stoornis identificeren zich te sterk met anderen; ze projecteren hun eigen onrealistische, gefantaseerde intenties op mensen met wie ze te maken hebben.

    • Ze zijn emotioneel oppervlakkig en hebben problemen om zichzelf of anderen met enige diepgang te begrijpen. De keuze van huwbare of seksuele partners is vaak ongepast. De pathologie neemt toe met de mate van intimiteit in relaties.

    • Vrouwen met de stoornis kunnen ongepaste en intense boosheid uiten. Ze kunnen - als ťťn aspect van algemeen manipulatief interactief gedrag - op manipulatieve zelfmoorddreigingen terugvallen.

    Mannen

    • Mannen met de theatrale persoonlijkheidstoornis vertonen gewoonlijk identiteitsdiffusie, verstoorde relaties en impulsief gedrag. Ze hebben anti-sociale neigingen en zijn geneigd tot het exploiteren van fysische symptomen. Ze zijn emotioneel onvolwassen, dramatisch en oppervlakkig.


    Zowel mannen als vrouwen met de stoornis vertonen ongeremd gedrag. Mensen met de stoornis zijn gewoonlijk in staat om zowel sociaal als op hun werk op hoog niveau te presteren.

    Andere gegevens

    • De theatrale persoonlijkheidstoornis kan echter invloed hebben op sociale- of liefdesrelaties, en op het vermogen om verliezen of mislukkingen te aanvaarden. Mensen met deze stoornis zouden behandeling voor depressie kunnen zoeken wanneer hun liefdesrelaties eindigen, hoewel dat geenszins een typisch kenmerk van de stoornis is. Ze zijn vaak niet in staat om hun eigen situatie realistisch te zien en hebben neiging tot dramatiseren en overdrijven.

    • De verantwoordelijkheid voor mislukkingen of teleurstellingen wordt gewoonlijk op anderen afgeschoven. Ze kunnen vaak van werk veranderen, omdat ze gemakkelijk verveeld raken en moeilijk frustraties aankunnen. Doordat ze naar nieuwigheden en opwinding verlangen, zouden ze in riskante situaties kunnen terechtkomen. Al die factoren kunnen tot een grotere kwetsbaarheid voor depressies leiden.


    Oorzaken
    De oorzaak van de stoornis is niet bekend, maar het kan zowel erfelijk als door gebeurtenissen in de jeugd bepaald zijn. Het kom vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De theatrale persoonlijkheidstoornis wordt verhoudingsgewijs minder bij mannen dan bij vrouwen vastgesteld. Mannen met gelijkaardige symptomen worden meestal met de anti-sociale persoonlijkheidstoornis gediagnosticeerd. Er is weinig onderzoek verricht naar de biologische oorzaken van deze stoornis. Psychoanalytische theorieŽn schrijven het aan een verleidelijke of autoritaire houding van de vaders van deze patiŽnten toe.
    Terug naar A-B-C index

    Transseksualiteit
    Ook gender-identiteitsstoornis. De behoefte om te leven en geaccepteerd te worden als een lid van het andere geslacht. Transseksuelen voelen zich gevangen in het lichaam van het 'verkeerde' geslacht en kunnen bijvoorbeeld een afkeer hebben van de eigen genitaliŽn.
    Terug naar A-B-C index

    Trauma

    1. Algemene aanduiding voor lichamelijk letsel dat het gevolg is van een ongeluk of geweld.

    2. Een psychische zeer aangrijpende gebeurtenis, zoals een verkrachting of het verlies van een kind. In zulke gevallen kan men spreken van een geestelijk letsel dat tot bepaalde vormen van geestelijke invaliditeit kan leiden.

    Terug naar A-B-C index

    Posttraumatische stressstoornis
    Een psychische reactie die is ontstaan na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een gijzeling, oorlog of marteling. De reactie treedt enkele weken of maximaal een half jaar na de stressvolle gebeurtenis op. Het trauma wordt in zogenaamde 'flashbacks', gedachten of nachtmerries steeds opnieuw beleefd en tegelijkertijd probeert de betrokkene juist de gedachten aan het trauma uit te bannen. De persoon is mogelijk emotioneel afgestompt en niet meer zo betrokken bij zijn dagelijks leven. Daarnaast kan sprake zijn van slecht slapen en prikkelbaarheid. Bijkomende symptomen kunnen angstaanvallen, neerslachtigheid en slapeloosheid zijn.
    Terug naar A-B-C index

    Transvestitisme
    De behoefte zich te hullen in kleding van het andere geslacht. Wanneer dit gepaard gaat met seksuele opwinding, wordt gesproken van fetisjistisch transvestitisme. Wanneer het verkregen plezier niet seksueel van aard is, is sprake van dual-role-transvestitisme. Transvestieten hebben niet de behoefte hun lichaam operatief te laten veranderen om ook anatomisch op het andere geslacht te lijken.
    Terug naar A-B-C index

    Voyeurisme
    Een seksuele afwijking waarbij het ongezien bespieden van anderen die zich ontkleden of seksuele handelingen verrichten de voornaamste bron van seksuele lust is.
    Terug naar A-B-C index

    Vrees
    Een vorm van angst die veroorzaakt wordt door een specifieke dreiging, die zowel buiten als binnen een organisme gelegen kan zijn. Er wordt dus een bepaald persoon, ding of situatie gevreesd, terwijl angsten niet altijd door een specifiek object veroorzaakt worden.
    Terug naar A-B-C index

    Vriendschap en vijandschap
    Sociale interactieprocessen, waarvan met name het vormen van vriendschappen in de sociale psychologie is bestudeerd. De behoefte aan sociaal contact is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde; essentieel is het belonende karakter van de vriendschap voor het individu. Deze sociale bekrachtiging is voor een ieder van sterk individuele factoren afhankelijk, maar wordt wel bevorderd door algemene factoren als: de fysieke en sociale nabijheid in het dagelijks leven, de overeenkomst in sociale achtergrond en attituden, de mate van wederzijdse sociale goedkeuring, de mate waarin ieders behoeften elkaar wederzijds aanvullen (zoals bijvoorbeeld de behoefte om te domineren en de behoefte gedomineerd te worden), de verwachtingen omtrent de sociale rol van de ander en de mate waarin diegene daaraan voldoet.
    Terug naar A-B-C index

    Vrije associatie
    Het ongedwongen aan elkaar rijgen van gedachten. Dit wordt o.a. binnen de psychoanalytische therapie gebruikt. De cliŽnt wordt gevraagd zonder voorbehoud te reageren op een door de analyticus aangeboden stimulus (woord, verhaal, plaatje, enz.). Aan de hand hiervan hoopt de analyticus op het spoor te komen van onbewuste problematiek, die een sturende werking op de associatie zou hebben. Het gaat hier dus niet om de associaties op zich, maar veeleer om de psychische krachten die de associaties tot stand brengen.
    Terug naar A-B-C index

    Waan
    Een niet met de werkelijkheid overeenstemmend denkbeeld, dat zich niet laat corrigeren door redelijke argumenten en waarbij kennelijk de behoefte niet bestaat om te zien of het wel klopt. Hoewel strikt genomen vrijwel iedereen zijn eigen wanen koestert, wordt de term meestal gebruikt in verband met psychische stoornissen. De waan kan iets preciezer aangeduid worden met waandenkbeeld, waanvoorstelling en waanwaarneming. Onderscheiden worden onder andere grootheidswaan en de hier tegenoverstaande nihilistische of melancholische waan, achtervolgingswaan, betrekkingswaan, jaloersheidwaan, somatische waan, vergiftigingswaan, schuldwaan (iemand denkt een groot misdadiger te zijn, terwijl hier geen enkele aanleiding voor is), rijkdom-of armoedewaan, onsterfelijkheidwaan, ziektewaan, beÔnvloedingswaan (het idee door andere personen of krachten 'gestuurd' te worden) en religieuze waan. Wanen lijken misschien bizar, maar wanneer iemand zich in de levensgeschiedenis van de betrokken persoon verdiept, krijgen ze meestal iets begrijpelijks. Zo kan het gebeuren dat iemand die vaak vernederd is, als reactie een grootheidswaan ontwikkelt. Wanen kunnen een onderdeel uitmaken van een psychiatrische stoornis, maar kunnen ook ontstaan door een hersenstoornis.
    Terug naar A-B-C index

    Waanstoornis
    Een stoornis waarbij wanen het meest opvallende of het enige kenmerk vormen. Bizarre wanen, zoals het idee dat de persoon onder controle van een andere macht staat, komen niet voor. De wanen houden doorgaans lang aan en zullen in sommige gevallen nooit verdwijnen. Dikwijls gaat het om ťťn waan of om een aantal wanen rondom hetzelfde thema. Vaak komen wanen voor die betrekking hebben op de eigen grootheid, ingebeelde ziekten, de ontrouw van de partner, de verliefdheid van een hoger geplaatst persoon, of dat de wereld tegen de persoon samenspant. Minder vaak voorkomend is het idee dat het lichaam mismaakt is, dat het stinkt of dat anderen denken dat de persoon homoseksueel is.
    Terug naar A-B-C index

    Waarde

    1. De betekenis die iets heeft als bezit of ruilobject met name uitgedrukt in geld.

    2. De maatstaf waarmee andermans gedrag, het eigen gedrag, maar ook voorwerpen of instellingen beoordeeld worden. Gedrag kan goed of slecht gevonden worden en een voorwerp mooi of lelijk.

    3. Het getal dat de uitkomst is van een meting.

    Terug naar A-B-C index

    Waardevrijheid
    Het vrij zijn van morele overwegingen. De socioloog Max Weber (1864-1920) stelde aan het begin van deze eeuw dat wetenschap waardevrij moest zijn en zich moest beperken tot het bestuderen en weergeven van de werkelijkheid. Deze stellingname is vooral begrijpelijk vanuit de achtergrond van een eeuwenlange religieuze en politieke inmenging in de wetenschap. In de praktijk blijken de sociale wetenschappen echter absoluut niet waardevrij: begrippen als democratie, maatschappelijke ongelijkheid, emancipatie, geestelijk gestoord of zwakzinnig hebben allemaal een morele lading. Wie de werkelijkheid hiermee beschrijft, spreekt tevens een waardeoordeel uit. Een ander punt is dat de onderzoeker altijd een keuze doet aan welk onderwerp hij aandacht besteedt. Ook hier spelen aardeoordelen een rol.
    Terug naar A-B-C index

    Waarheid
    Het bestaan van overeenstemming tussen uitspraak of kennis en werkelijkheid. Het is onmogelijk aan te geven wanneer dit precies het geval is. Vandaar dat waarheid tegenwoordig ook wel wordt opgevat als een systematische samenhang tussen menselijke oordelen.
    Terug naar A-B-C index

    Waarneming
    Ook perceptie. Een activiteit van het organisme waardoor interne en externe prikkels worden geregistreerd. Dit is geen passief proces. De selectie en interpretatie van prikkels blijken van eminent belang. Hierbij speelt niet alleen de beroering van de receptoren (zintuigen) een rol, maar evengoed denk- en geheugenprocessen. De waarneming is geen op zichzelf staande activiteit, maar is nauw verweven met andere functies van het organisme. Zo is het noodzakelijk dat het organisme zich actief kan bewegen en allerlei ervaringen kan opdoen, omdat anders de waarneming zich nauwelijks ontwikkelt. Als de omgeving van het organisme voldoende rijk is, ontwikkelt een groot deel van het waarnemingsproces zich vanzelf, dus buiten bewuste leerprocessen om. Bij de mens blijkt deze ontwikkeling langer door te gaan dan bij dieren. Dit wordt veroorzaakt door de nauwe samenhang met het denken en het geheugen en door de scherpende invloed van taal. De verschillende zintuigen werken ook niet onafhankelijk van elkaar. Zo neemt bijvoorbeeld de gevoeligheid voor licht alsmede de gezichtsterkte toe bij een prikkeling van het gehoor. Daarnaast ontwikkelt het ene zintuig zich sterker als het andere uitvalt. Een voorbeeld van dat laatste is het scherpe gehoor van langdurig blinden. Zij zijn daardoor vaak in staat geluidsecho's van voorwerpen op te vangen. De structuur en locatie van het object kunnen daardoor herkend worden.
    Terug naar A-B-C index

    WaarnemingstheorieŽn
    Ook perceptietheorieŽn. De theoretische opvattingen over de wijze waarop de waarneming tot stand komt.
    Een eerste onderscheid dat gemaakt kan worden is tussen de empirische en nativistische theorieŽn.

    1. In de klassieke, empirische theorie is de waarneming het min of meer passief opdoen van indrukken uit de wereld. Op grond van ervaringen en kennis van de wereld organiseert de mens vervolgens deze indrukken. Iemand heeft bijvoorbeeld de indruk dat een appel op twee of vijf meter afstand even groot is, ondanks dat de grootte van de afbeelding op het netvlies aanzienlijk verschilt. Volgens de empirische theorie komt dit doordat wij geleerd hebben dat een voorwerp niet van grootte verandert als het verder van ons af gelegen is. De empirische theorie schiet echter ernstig te kort bij de verklaring van visuele illusies.

    2. De nativistische theorie stelt hier tegenover dat de waarneming wordt georganiseerd door aangeboren principes. Het blijkt bijvoorbeeld dat proefdieren die geen gelegenheid hebben gehad visuele ervaringen op te doen, toch niet in een afgrond lopen. Zij hebben kennelijk het aangeboren vermogen diepte waar te nemen.

      Een ander onderscheid is tussen theorieŽn die waarneming opvatten als een bottom-up- of topdown-proces.

    3. De constructivistische theorie gaat er van uit dat de waarneming topdown ofwel conceptueel gestuurd wordt. Dit betekent dat de waarneming niet alleen afhankelijk is van de zintuiglijke indrukken, maar evengoed door verwachtingen en kennis van de stimuli wordt beÔnvloed. Dit interactieve proces wordt inferentie genoemd. De inferentie verklaart tevens waarom er fouten gemaakt worden in de waarneming.

    4. De theorie van de directe waarneming gaat er van uit dat waarneming vooral bottom-up ofwel data-gestuurd plaatsvindt. Een belangrijke naam op dit gebied is James J. Gibson. Hij veronderstelde dat de prikkeling van de zintuigen veel meer informatie levert dan algemeen wordt aangenomen en dat daardoor de topprocessen overbodig zijn. Centrale begrippen van Gibson zijn affordance en texture gradient. Er is zowel voor de topdown als voor de bottom-up benadering veel te zeggen. De zintuiglijke informatie is zo rijk dat kennis en verwachtingen de waarnemingen alleen beslissend beÔnvloeden bij gedegenereerde (onduidelijke) stimuli. De waarneming is echter ook niet helemaal onafhankelijk van kennis, wat blijkt uit het feit dat sommige visuele illusies alleen voorkomen bij personen met een culturele achtergrond die hen geleerd heeft diepte waar te nemen op een plat vlak.

    5. Vandaar dat geprobeerd is tot een synthese te komen van beide theorieŽn. Ulrich Neiser stelt de waarneming bijvoorbeeld voor als een perceptuele cyclus. De waarnemer zou beschikken over anticiperende cognitieve schema's die de exploratie van de omgeving sturen, maar de exploratie van de omgeving wordt ook direct gestuurd door de stimuli uit de omgeving. Ook het anticiperende schema wordt direct beÔnvloed door de stimuli uit de omgeving.

    6. Een wat oudere theorie op het gebied van de waarneming is gegeven door de gestaltpsychologie. De opvattingen van de theoretici uit deze richting hebben geleid tot het opstellen van Gestaltwetten.

    7. Een invloedrijke theorie op het gebied van de waarneming is opgesteld door de waarnemingstheoreticus David Marr en zijn collegae en heeft specifiek betrekking op de visuele waarneming. Marr maakt daarbij gebruik van drie niveaus waarop de binnenkomende informatie verwerkt wordt. Allereerst is er het niveau van de 'hardware' (de zintuigcellen en de neuronen die daarmee in verbinding staan). Op dit niveau wordt de 'primaire schets' gemaakt. Dit is de basisinformatie, met daarbij opgenomen informatie over kleuren, lichtintensiteit, hoeken, randen, e.d. Deze informatie is tweedimensionaal weergegeven en wordt op verschillende plaatsen onafhankelijk van elkaar gecodeerd. De primaire schets wordt vervolgens met behulp van de beschikbare zintuiglijke indrukken over bijvoorbeeld schaduwen en grootte, 'vertaald' naar de '2,5-D-schets'. Hierin zijn gegevens opgenomen over de diepte, de contouren en hun oriŽntatie. De 2,5-D-schets is nog steeds tweedimensionaal en is net als de primaire schets gemaakt vanuit het gezichtspunt van de kijker. De 2,5-D-schets wordt daarna omgezet tot het '3-D-niveau', het niveau van de software of computaties (computationalisme). Het 3-D-niveau is de volledige driedimensionale representatie van het gezichtsveld, waarbij tevens de onderlinge posities van objecten zijn opgenomen. Het 3-D-niveau is onafhankelijk van het punt van waaruit gekeken wordt. De richting waarin de informatieverwerking plaats vindt, is van de primaire schets naar het 2,5-D-niveau volledig bottom-up, maar tussen het 2,5-D-niveau en het 3-D-niveau is sprake van een wederzijdse beÔnvloeding. Er vinden dus top-down- en bottom-up processen plaats.

    Terug naar A-B-C index

    ZoŲerastie
    Het hebben van geslachtsgemeenschap met dieren.
    Terug naar A-B-C index

    ZoŲfilie

    1. Ook bestialiteit. Een weinig voorkomende seksuele afwijking waarbij dieren een sterke erotische aantrekkingskracht hebben. Dit kan leiden tot zoŲerastie: het hebben van geslachtsgemeenschap met dieren.

    2. Dierenliefde zonder de seksuele bijbetekenis.

    Terug naar A-B-C index

    ZoŲfobie Een extreme angst voor dieren in het algemeen of voor bepaalde dieren in het bijzonder, zoals honden en katten.
    Terug naar A-B-C index

















    NBVH = Nederlandse Bond van Hypnotherapie
    NVPA = Het Nederlands Verbond voor Psychologen, Psychotherapeuten en Agogen